Analyse van de Vrije Huisarts
27 augustus 2005
Is de WMG een nieuwe centrale sturing vanuit Den Haag?
Op 18 juli j.l. is wettekst van de WMG aangeboden bij de Tweede(112) Kamer. De WMG(200) regelt vanaf 2006 het toezicht op de spelregels in de zorg bij (gereguleerde) marktwerking. Voor de gezondheidszorg komt er een sectorspecifieke toezichthouder. Dit is Nederlandse Zorgautoriteit (NZa(109)). In dit artikel wordt stilgestaan bij de taken van de NZa en wat de consequenties zijn voor de huisartsenzorg. De WMG is de laatste wet die de minister nodig heeft om zijn stelselherziening in de zorg mogelijk te maken. In dit nieuwe stelsel zou aanbodsturing plaats gaan maken voor vraagsturing, zo zegt de minister. In werkelijkheid blijkt het toezicht centraler dan ooit, waarbij de sturing deels is verplaatst naar toezichthouders en verzekeraars.
Stichting de Vrije Huisarts komt hier met een eigen analyse.
Minister Hoogervorst wil de Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG(200)) per 1 januari 2006 in werking laten treden. De wet gaat over het toezicht en de spelregels ten gunste van meer marktwerking in de gezondheidszorg. Voorlopig loopt de gezondheidszorg voor een groot deel nog via de “gereguleerde" marktwerking: marktwerking waar mogelijk en regulering van deze markt waar nodig. Het moment, om wel of geen marktwerking in te voeren, wordt bepaald door de overheid. Dat was al zo, ... en dat blijft ook zo.
De overheid wil graag af van centrale aanbodsturing en wil met de stelselherziening een nieuwe marktordening, waar verzekeraars en zorgaanbieders voortaan achter hun klanten aan moeten. (1)
De bedoeling is dat de overheidsregulering plaats gaat maken voor een systeem waarbij verzekerden, zorgaanbieders en verzekeraars meer vrijheden en verantwoordelijkheden (zouden moeten) krijgen om zelf te beslissen. Maar deze "gepropageerde beslissingsvrijheid" valt wel binnen de door de overheid gestelde kaders en valt tevens onder het nieuwe toezicht van alle toezichthouders. De overheid denkt dat met de WMG en de nieuwe marktordening verzekeraars en zorgaanbieders worden gestimuleerd te ondernemen. De voorgestelde gereguleerde marktwerking is hierbij het nieuwe sturingsconcept.
Deze nieuwe gereguleerde marktwerking maakt op verschillende fronten aanpassingen in de wetgeving nodig. Tezamen vormen zij de stelselherziening.
Huisartsenzorg behoort tot het marktdeel waar de tarieven nog gereguleerd moeten worden en valt dus onder de WTG ExPres(209).
Het houden van toezicht op de markt en het hanteren van spelregels op deze markt wordt straks uitgevoerd door de nieuw op te richten Nederlandse Zorgautoriteit (NZa(109)), voortkomend uit het huidige CTG/zaio(108) en het huidige CTZ. De NZa krijgt na aanname van de WMG(200) in Tweede(112) en Eerste(111) Kamer de volgende taken(1):
In brede zin krijgt de NZa(109) de taak de juiste balans te vinden tussen reguleren en de markt zijn werk te laten doen.
De NZa(109) gaat zijn toezichthoudende taak uitvoeren als aanvulling op de andere al bestaande toezichthouders, zoals daar zijn(1):
Hoe begon de marktwerking(1)?
In januari 2003 benoemde het Centraal Plan Bureau (CPB(106)) in zijn studie "Zorg voor concurrentie" (9) de belangrijkste voorwaarden voor concurrentie en marktwerking. (1) Het CPB(106) kwam tot drie voorwaarden om deze doelen te bereiken:
Deze adviezen, louter gebaseerd op economische sturingsinstrumenten, is het kabinet gaan uitwerken. Gereguleerde marktwerking is daarbij geen doel, maar een verondersteld middel om de zorgsector beter te laten presteren. De regelgeving richt zich vooral op het bieden van meer zekerheid in de zorg ten aanzien van toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid. Ten behoeve van de sturing van de zorgmarkten worden de economische sturingsinstrumenten vastgelegd (eigen risico, no-claim, eigen betalingen, DBC's, bonus-malus regeling , smaller basispakket, uitgebreider aanvullend pakket etc etc). De zorgmarkt is ook een aparte markt. De betalingen lopen namelijk niet tussen zorgaanbieder en zorgvrager, maar lopen grotendeels via verzekeringen. Verder bemoeit de overheid zich, in tegenstelling tot de "gewone" markt, overal mee: met de opleidingscapaciteit, met de wijze van bekostiging (ZVW(202)), met de tarifering (WTG ExPres(209)) en met de contractvoorwaarden (HOZ(212)) en door middel van het specifieke toezicht (NZa). Zijn al deze onderdelen "onder controle" dan wil de overheid de strakke teugels wat laten vieren. Voor meer marktwerking is bijvoorbeeld een licht overschot aan zorgaanbieders nodig (bekijk de tariefsvorming bij de fysiotherapeuten).
Een van de economische instrumenten voor sturing van de zorgmarkt is om efficiënte zorgaanbieders te belonen en inefficiënte zorgaanbieders een prikkel te geven tot verbetering. Dit zijn "nieuwe" vormen van tariefregulering "waarbij marktprikkels als het ware worden nagebootst". (Overigens is in de wet niet gedefinieerd wat "efficiënte zorg" nu precies is, dvh). Binnen de WMG hebben de brancheorganisaties, bijvoorbeeld de LHV(100) in tegenstelling tot in de tijd van de "oude" WTG, géén wettelijke positie meer. De positie van de brancheorganisatie heeft namelijk het nadeel, zo zegt de minister, "dat bij de belangenbehartiging de belangen van de zwakste tot norm worden verheven. Dit zou de nieuwe ontwikkelingen remmen en wordt als "extra" nadelig geduid in een nieuw zorgstelsel waarin meer ruimte nodig is voor aanbieders en verzekeraars om de belangen van de individuele consument te behartigen ..." (het is maar dat je het weet, dvh)
De NZa(109) en de minister
Bij de tariefregulering en bij "ondernemen" is het van belang dat zoveel mogelijk zekerheid wordt geboden aan de marktpartijen. Omdat zorgaanbieders moeten investeren (kwaliteit, efficiency, innovatie) moeten zij een redelijke zekerheid hebben dat zij deze investeringen kunnen terugverdienen. Hier heeft een sectorspecifieke toezichthouder een belangrijke functie bij, bijvoorbeeld door investeringsproblemen voor sectoren te monitoren.
Maar dan ...
De minister bepaalt óf, en zo ja, in wélke sector en in wélke mate een ingreep nodig is. Dat kan zijn uit oogpunt van beheersing van de collectieve lasten met een ingreep in de macrokostenontwikkeling (bijvoorbeeld Stabiliteitspact(12) Europese Unie). Maar kan ook worden ingegeven door regels van mededinging (Nederlands/Europees). Dat is de politieke verantwoordelijkheid van de minister. De minister doet dit door een aanwijzing aan de NZa te geven met daarbij opdracht de beleidsregels dienovereenkomstig aan te passen. Vervolgens is de NZa verantwoordelijk voor de precieze wijze waarop een dergelijke maatregel wordt uitgewerkt. Zo kan de zorgautoriteit bij het vertalen van een korting naar budgetten en tarieven zelfs rekening houden met goed en minder goed presterende aanbieders (bonus-malus). Wel "informeert de zorgautoriteit de zorgsector vooraf op welke manier zij eventuele kortingen zal opleggen, zodat maximale duidelijkheid wordt geboden".
Daarnaast kan een beleidsregel van de zorgautoriteit op voordracht van de minister door de Kroon worden vernietigd op grond van "in strijd met het belang van de volksgezondheid".
Door middel van een AMvB of een algemene aanwijzing aan de zorgautoriteit bepaalt de minister op welke deelmarkten vrije tariefvorming van toepassing moet zijn. Waar dat nog niet kan bepaalt de minister het maximumtarief en de grootte van de financiële ruimte waarbinnen tarief moet vallen.
De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het Budgettair Kader Zorg (BKZ), de minister van VWS voor de verdeling. De minister heeft richting de NZa een aanwijzingsbevoegdheid en een schorsings- en vernietigingsrecht. Ofwel: de minister van VWS heeft alle macht!
Commentaar van de Vrije Huisarts
Met de oprichting van de zorgautoriteit is, samen met de NMa(107), DNB, AFM, IGZ, CVZ en FIOD, een krachtig schild van toezicht op de zorg tot stand gekomen: the gezamenlijke Big Brothers Are Watching You.
De WMG is de laatste wet in de stelselwijziging in de zorg. Een stelselwijziging die gebaseerd is op marktwerking en concurrentie, bedacht door het CPB(106) en met steun van vrijwel de hele politiek. Marktwerking, "zo snel als verantwoord is" heeft Hoogervorst ooit gezegd.
Zorgaanbieders/huisartsen staan er bij en kijken er naar.
Wat hebben huisartsen van deze hele ontwikkeling (2002 tot heden) tot nu toe gemerkt, dan wel wat zullen ze er van merken?
Dit mag opgaan voor echte marktpartijen maar niet voor de huisartsenzorg waar de staat de prijzen en de kostencompensaties oplegt aan deze "zorgmarktpartij". DVH concludeert dat de marktaanhangers Zalm en Hoogervorst van mening zijn de sterke huisartsenzorg te veel haar stempel heeft gedrukt op de eerstelijnszorg en enkel al om die reden niet in aanmerking komt voor investeringen. Een sterke partij "subsidiëren" staat haaks op marktwerking en concurrentie. Het zou de positie van huisartsen onbetwistbaar maken waardoor ze teveel marktmacht krijgen. Terwijl nu juist de betwistbaarheid van de positie van huisartsen een voorwaarde is voor de gewenste concurrentie. (1) (9)
De misvatting in deze politieke, markteconomische visie is, dat de huisartsenzorg medisch-inhoudelijk weliswaar als "sterk" is kwalificeren, maar financieel economisch allerminst. Investeren uit eigen bedrijfsvermogen is vrijwel onmogelijk. Zowel individuele huisartsen, bijvoorbeeld in een HOED traject, als HDS-organisaties zijn daarvoor afhankelijk van derden. Commerciële banken beschouwen de huisartsensector niet als een sterke marktpartij: geen eigen middelen en een onzekere liquiditeitspositie door het onvoorspelbare politieke spel dat met het rigide centralistische financieringsbeleid wordt gespeeld. Tot de Haagse spelregels hoort de regel dat de huisartsen als vrije ondernemers zelf hun bedrijfslasten en risico's dragen, terwijl de prijsstelling van hun producten wordt bepaald door de overheid. De huisarts als risicodragend zorgaanbieder in Rijksdienst.
Voor transparantie zet de minister hoog in met de ontwikkeling van benchmarks en prestatie-indicatoren. En als deze zijn ontwikkeld, dan, let op, gebruikt:
In de ZVW(202) werd dit vertaald als dat verzekerden recht hebben op huisartsenzorg ("functionele aanspraak"), maar de verzekeraar bepaalt wie die zorg, huisarts of juist geen huisarts (dat kan blijkbaar..!), gaat uitvoeren. Slechts met een amendement (motie Smilde/van de Vlies) kon de tekst in de ZVW worden gewijzigd, zo dat er nu staat "integrale eerste lijnszorg, zoals die door huisartsen en verloskundigen pleegt te geschieden". In de Memorie van Toelichting van de WMG (1) wordt nog eens uitdrukkelijk gesproken van "de betwistbaarheid van marktposities"als voorwaarde uit het CPB(106) rapport "Zorg voor concurrentie" om marktwerking te laten slagen. Een sterke, samenwerkende monodisciplenaire huisartsenzorg past eigenlijk niet binnen de geloofsvisie van de aanhangers van de beoogde marktwerking. En dus leg je de huisartsen het heil der markt op.
Hoe leg je een ongewenste "marktpartij" om of leg je als overheid gewenst marktgedrag op ?
Dat doe je zo:
Het is duidelijk dat de overheid, de verzekeraars en de gezamenlijke toezichthouders alle instrumenten in handen hebben om de regelgeving in de door hen gewenste richting bij te stellen. Zij hebben hun eigen "playing field" gecreëerd door met mogelijke AMvB's, wetswijzigingen, stelselherziening en risicoverevening alle touwtjes in handen te krijgen. Met meer centrale sturing, als ooit tevoren. Echter zij zullen worden afgerekend, op wat ze hebben beloofd en waarom de stelselwijziging er moest komen: met de stelselwijziging, zegt de minister e.a., wordt de zorg toegankelijker, beter en minder duur ...
En is dat waar?
Stichting de Vrije Huisarts heeft in diverse artikelen over de marktwerking haar mening hierover al geventileerd. In de zorg werken mensen samen en dus concurreren ze niet. Dat is de essentie! In het concurrentieprincipe ga je de strijd aan met medezorgverleners. En de patiënt is echter altijd gebaat bij goede samenwerking van zorgverleners. En dat maakt de zorg beter en waarschijnlijk minder duur. En dan de nevenverschijnselen van concurrentie: afgunst, frustratie en boosheid(6), het gericht zijn op de eigen onderneming in plaats van op de medisch noodzakelijke zorg. Met de marktwerking wordt ook de calculerende dokter geïntroduceerd, waarbij de dokter die meer verrichtingen doet, beter gehonoreerd wordt en de efficiënte dokter voor zijn gedrag wordt gestraft ... en wordt de zorg met deze perverse prikkels beter? Natuurlijk niet!
Maar goed, het marktwerkingsprincipe wordt in Nederland zo op handen gedragen met deze minister als absolute vaandeldrager, dat we met de gevolgen zullen moeten leren leven. Hoogervorst verdwijnt en de gevolgen van marktwerking zijn voor zijn opvolger. Als hij zijn ongelijk niet wil erkennen, bemint hij zichzelf meer dan de waarheid.
In het bijzonder Jan Herre Kingma van de IGZ(115) zou als kwaliteitsbewaker en toezichthouder van de zorg zich wel eens wat nadrukkelijker mogen uitspreken over de nadelen van concurrentie en marktwerking. Zeker ook gezien de rol van de IGZ in de WMG. Maar is ook Kingma niet een voorstander van marktwerking? VVD-er Kingma was vroeger altijd een hartstochtelijke pleitbezorger van de vrije markt, maar sinds hij met een jaarsalaris van € 320.000,- de duurst betaalde ambtenaar is in Den Haag, is hij de spreekpop van de minister geworden. Van oudsher staat Kingma bekend als "... is autoritair en duldt weinig tegenspraak". (8)
Dat blijkt ook wel met zijn opmerkingen over de verpleeghuisproblematiek, recent over het EPD en de huisartsenstaking. Bij de huisartsenacties schreef Kingma "geen partij te zijn in het conflict ...". (11)
Wát een held, terwijl met die acties de kwaliteit en de modernisering van huisartsenzorg in het geding zijn ...
De NZa(109) zal als nieuwe toezichthouder haar taak zeker serieus nemen en wellicht beter gaan functioneren dan de huidige toezichthouders NMa(107) en CTZ. Frank de Grave wordt de voorzitter van de NZa en hij deed in Mednet de uitspraak dat "ik de vijand ben van alles wat te machtig is" en dat hij "daadkrachtig zal optreden als zorgverzekeraars zich teveel macht toe-eigenen" want "teveel macht geeft aan dat er geen eerlijke onderhandelingen kunnen plaatsvinden" (7) De NZa blijft ook de huisartsentarieven bewaken en vaststellen en na 2006 geldt dat ook voor de huidige "RIZ tarieven".
In het kader van de WTG ExPres(209) kunnen huisartsen ook in het aanvullende aanbod bij het CTG(108) tarieven aanvragen voor nieuwe producten. Hierbij valt te denken aan:
Hier ligt voor huisartsen hun "playing field". Onmiskenbaar krijgt de NZa(109) meer macht, maar ook de NZa zal oplopen tegen de macht van de minister. Wij huisartsen kennen dit uit het verleden met door CTG(108) goedgekeurde richtlijnen (afschrijving ICT, AOV compensatie, inkomensherijking, inzet van lokale kostencomponent) waarna de minister het machtswoord sprak en de voorstellen afwees. En na een nieuwe aanwijzing van de minister zal de NZa, net als vroeger het CTG (hun uitwerking van het 5 euro tarief in 2004 en het 45/7 tarief in 2005 liggen nog "vers" in het geheugen), hun opdracht uitvoeren en doorrekenen wat binnen het macrobudget het nieuwe tarief wordt.
Laten we duidelijk zijn. Het nieuwe zorgstelsel wordt nog net zo, zo niet sterker centraal aangestuurd als het oude zorgstelsel. Van deregulering komt niets terecht: er komen steeds meer regels. Het aantal toezichthouders is de laatste jaren toegenomen, dan wel hun taken zijn geclusterd. Wat zijn de consequenties voor de patiënt? Hiervoor verwijzen we naar alle artikelen op de website over de ZVW. De NPCF(103) heeft er wel vertrouwen in en zij zijn de vakbond van de patiënten.
Misschien een domme vraag, maar wordt de patiënt er ook beter van?
De wijze lezer leert echter meer uit een domme vraag, dan de domme lezer uit een verstandig antwoord (vrij naar Ernst Hohenemser)
Bent u al donateur van De Vrije Huisarts? Meteen DOEN.