
van onze oude DVH-voorzitter
Frank Gunneweg
29 augustus 2006
Bij de wisseling van de wacht: terugblik en verantwoording
Het terugtreden als voorzitter is een goed moment om stil te staan bij de effecten van ons werk de afgelopen jaren. Ik wil u een beknopte terugblik gunnen.
Ruim vijf jaar geleden was er iets grondig mis met de positie van de huisarts: Sociaal economisch stond de huisartsgeneeskunde onder druk, de LHV raakte in een crisis: de strenge budgettering, de belabberde verhoudingen met het ministerie en de zorgverzekeraars en het gebrek aan bestuurlijk en professioneel kader eiste hun tol. Op initiatief van Aad Kraaijenveld werd de Vrije Huisarts opgericht. Aanvankelijk vingers op zere plekken leggend ("luis in de pels" en vanwege de onmogelijkheid om gelijkwaardig te onderhandelen met verzekeraars de juridische confrontatie zoekend) kreeg de Vrije Huisarts al snel bekendheid.
Vier en half jaar geleden werd de toenmalige voorzitter
van de Vrije Huisarts, Hans van Santen, gekozen als vice-voorzitter van de LHV. Ikzelf werd zijn opvolger als voorzitter van de Vrije Huisarts.
Een jaar later trad er een nieuwe minister van volksgezondheid aan: Hans Hoogervorst. Een van zijn eerste daden was het dichtdraaien van de subsidiekraan van de LHV. De ondersteuningsorganisaties van de huisartsen, de DHV-en, werden afgebouwd en gesloten. De crisis in huisartsenland verdiepte zich en de noodzaak tot reorganiseren werd nog acuter. Terwijl hierdoor de LHV met zichzelf bezig was, zette de minister de nieuwe zorgverzekeringswet in de politieke markt.
In dit vacuüm opereerde de Vrije Huisarts. We realiseerden ons dat via openlijke confrontatie met de staat en via juridische geschillen de positie van de huisarts niet zomaar zou kunnen verbeteren. We hadden behoefte aan goede analyses van de problemen en van de oplossingen. En we hadden behoefte aan politieke invloed. Hiervoor was het noodzakelijk goede relaties met spelbepalende organisaties te ontwikkelen. Binnen die kontakten konden we horen wat men van de huisartsen wilde en aangeven wat de huisartsen nog meer dan het geijkte te bieden hadden. We werden een Denktank/Lobbygroep.
We ontwikkelden op het hoogste mogelijke niveau relaties met de belangrijkste organisaties: het ministerie, het CTG/ZA(i.o.), de politiek. De NPCF, het NHG, de LHV, en met belangrijke lobbyorganisaties.
Eind 2004 werd de zorgverzekeringswet zonder enig tegenspel van de huisartsen door de tweede kamer aangenomen. Pas daarna ontwaakte de LHV. De onderhandelingen begonnen, en, als drukmiddel daarin, werden in het voorjaar van 2005 de huisartsenacties georganiseerd. Tijdens de gesprekken met het ministerie probeerde het bestuur van de LHV het budget voor de huisarts te verruimen. Echter door persoonlijke factoren, de incompabilité des humeurs van de voorzitter van de LHV en van de minister, was de bereidheid van de laatste om die ruimte te scheppen nihil. Het is bekend: de LHV presenteerde na 3 maanden in stilte onderhandelen een maximaal budgettair neutraal akkoord (47 euro abonnementstarief en 7 euro per consult).
Onmiddellijk organiseerde de Vrije Huisarts voor donateurs en andere opinionleaders binnen de huisartsenwereld in de jaarbeurs een voorlichtingsbijeenkomst over de effecten van het akkoord op de praktijkvoering. Op de eerstvolgende LHV-ledenvergadering werd het akkoord massaal verworpen.
Inmiddels hadden de huisartsenacties in 2005 en de vooral de reactie van de bevolking, die de huisartsen steunde, duidelijk gemaakt dat de politieke acceptatie van de nieuwe zorgverzekeringswet niet gegarandeerd was. De bezorgdheid van de bevolking voor het doorbreken van de onderlinge solidariteit was zo groot dat de steun van de bevolking voor de privaat georganiseerde zorg verre van zeker was. De relatie van de bevolking met en de waardering voor de huisarts was voor de politiek een eyeopener en daarmee een politiek feit.
Deze politieke onzekerheid creëerde voor de Vrije Huisarts een tempus opportunitatis. Hier lag een kans om het budget voor de huisartsen te verruimen. We merkten dat veel organisaties de positie van de huisarts niet onwelgezind waren. Men luisterde naar onze argumenten. Wij luisterden naar de maatschappelijke behoefte. En doorslaggevend was het volgende: Wij waren ervan op de hoogte dat een zeer machtige belangenorganisatie de nieuwe zorgverzekeringswet niet alleen ontworpen had, maar ook actief was in het ondersteunen van de minister bij het uitvoeren van zijn militaire operatie, zoals hij de politieke en maatschappelijke implementatie noemde. De belangen om de wet aangenomen te krijgen waren te groot om deze te laten stranden op de persoonlijke animositeit tussen twee individuen (de minister en de LHV voorzitter) en op het al of niet verruimen van het, relatief toch al zo geringe, huisartsenbudget. In een open gesprek met de woordvoerder van de bedoelde belangenorganisatie, hebben we op tijd duidelijk kunnen maken wat er op het spel stond: het doorzetten van de huisartsenacties zou de invoering van de zorgverzekeringswet kunnen blokkeren. Niet lang daarna gaf de minister gaf zijn fiat aan een reële budgetverhoging: het abonnementstarief steeg t.o.v. het eerste akkoord voorstellen met een kleine 10% en het consulttarief met een kleine 30%.
Daarna kwam de slag met de verzekeraars. We weten dat de vergrijzing een ongekende druk op de zorgbudgetten legt. Alleen door reorganisatie van het totale zorggebouw kan deze op den duur betaalbaar blijven. Alle partijen zijn hiervan doordrongen. De kans die de goed georganiseerde en gekwalificeerde huisartsenzorg hierdoor krijgt om terrein en positie te winnen is nog nooit zo groot geweest. Wij zien die ruimte op vier niveaus: zorgsubstitutie [ = verschuiving van zorg van 2e naar 1e lijn], organisatie van de chronische zorg, integratie van zorgprocessen en koppeling van huisartsgeneeskundige expertise aan arbocuratieve zorg. We zijn ervan overtuigd dat huisartsen een krachtige bijdrage kunnen leveren aan het efficiënt maken van het totale zorggebouw en aan het beheersen van de zorgkosten. Dit kan alleen tot stand komen door actieve interventie van de huisartsenpartij in het zorgsysteem.
Vanuit dit perspectief hebben bestuursleden van de Vrije Huisarts gesprekken gevoerd met landelijke en locale patiëntenorganisaties, zorgverzekeraars en het CTG/ZA(i.o.). Omdat wij als vertegenwoordigers van diverse regionale huisartsengroepen in de positie waren om met de verzekeraars over het huisartsencontract te onderhandelen, hebben we de kans gegrepen om met kracht van argumenten het contract en daarin vooral de M.en I.-modules opnieuw vorm te geven. De onderlegger tijdens de gesprekken was: de genoemde noodzaak tot herstructurering van het zorggebouw. We gaven de andere partijen inzicht in de mogelijkheid om de kennis en positie van de huisarts in deze herstructurering optimaal in te zetten. De gevolgen van deze interventie zijn voor iedereen duidelijk: de M.en I.- (voormalige RIZ-)gelden zijn substantieel opgehoogd. Hierdoor zijn de mogelijkheden voor huisartsen om te ondernemen fors toegenomen. Op alle genoemde niveaus is toenemende ruimte voor innoverende huisartsen.
Het budget van de Stichting de Vrije Huisarts is zeer beperkt. Er is geen bureau, geen ondersteuning. De bestuursleden krijgen geen vergoeding voor hun arbeid. Iedereen kan begrijpen dat de persoonlijke inzet van de bestuursleden van de Vrije Huisarts enorm geweest is. Liefdewerk, oud papier. Dat kan niet onbeperkt duren. Dat geldt ook voor mij. De kontakten zijn gelegd, het netwerk is aangebracht de denktank is op stoom. Bovendien kan ik terugkijken op enkele uitmuntende resultaten. Voor mij was het prachtig om deel te nemen aan de genoemde ontwikkelingen. Het is nu een goed moment om me terug te trekken uit de frontlinie. Hoewel ik actief blijf in het DVH bestuur treed ik terug als voorzitter.
Bij deze wil ik mijn patiënten, mijn praktijkassistentes, mijn kinderen en bovenal mijn collega en echtgenote Anne Groot bedanken voor het geduld met mij, terwijl ik mij van de ene bijeenkomst naar de andere spoedde.
Het bestuurskader van de Vrije Huisarts herbergt veel bestuurlijk talent. Een opvallend snel rijzende ster is een jonge huisarts uit Noord Limburg. Hij heeft zich verdienstelijk kunnen maken in het actiecomité "het LACH". Hij speelde een cruciale rol in de regionale onderhandelingen met de zorgverzekeraars rond de M.en I.-gelden, en is sinds kort bestuurslid van zijn regionale huisartsenvereniging. Hij werd lid van de belangrijkste LHV- beleidscommissie: de BACfez. Hij is iemand die opvallend snel ingewikkelde zaken kan doorgronden, in staat is helder te formuleren. Bovendien een aangenaam mens in de omgang. Kortom: een ideale voorzitter van onze stichting: Rob Schonck, huisarts uit Velden.
Rob, proficiat met je benoeming, ik wens je een goede en succesvolle tijd.
Op deze plaats wil ik alle kontakten en relaties op het ministerie, van de NPCF, de LHV, het NHG, verantwoordelijke politici en de kontakten op het CTG/ZA(i.o.) hartelijk bedanken voor het gestelde vertrouwen en voor de openheid waarin wij onze gesprekken konden voeren.
Donateurs van de stichting: hartelijk dank voor jullie steun van de afgelopen jaren.
Overige huisartsen van Nederland: door het doneren aan de stichting kan zij nog beter haar werkzaamheden verrichten. Besef wat wij onbezoldigd voor u deden de afgelopen jaren en sluit u aan als donateur.
Tot slot wil ik de andere bestuursleden van de Vrije Huisarts hartelijk bedanken voor hun onderlinge solidariteit, hun collegialiteit, hun vriendschap en hun inzet om de maatschappelijke, economische en politieke realiteit te doorgronden en in onze richting te bij te sturen.
Ermelo, 29 augustus 2006,
Frank Gunneweg