Compilatie door DVH op 28 oktober 2002
De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling
Art. 446. 1. De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling in deze afdeling verder
aangeduid als de behandelingsovereenkomst is de overeenkomst waarbij een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van een geneeskundig
beroep of bedrijf tegenover een ander, de opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van
handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de
persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde. Degene op wiens persoon de
handelingen rechtstreeks betrekking hebben wordt verder aangeduid als de patiënt. 2. Onder handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verstaan: a. alle verrichtingen het onderzoeken en het geven van raad daaronder
begrepen rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van
een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn
gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand te verlenen; b. andere dan de onder a bedoelde handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een
persoon, die worden verricht door een arts of tandarts in die hoedanigheid. 3. Tot de handelingen, bedoeld in lid 1, worden mede gerekend het in het kader daarvan
verplegen en verzorgen van de patiënt en het overigens rechtstreeks ten behoeve van de
patiënt voorzien in de materiële omstandigheden waaronder die handelingen kunnen worden
verricht. 4. Onder handelingen als bedoeld in lid 1 zijn niet begrepen handelingen op het gebied
van de artsenijbereidkunst in de zin van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, indien
deze worden verricht door een gevestigde apotheker in de zin van die wet. 5. Geen behandelingsovereenkomst is aanwezig, indien het betreft handelingen ter
beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht
in opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling van aanspraken of
verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de
geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde
werkzaamheden. Art. 447. 1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het
aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het
verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk verband houden. 2. De minderjarige is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen,
onverminderd de verplichting van zijn ouders tot voorziening in de kosten van verzorging
en opvoeding. Art. 448. 1. De hulpverlener licht de patiënt op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk
in over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen
omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt. De
hulpverlener licht een patiënt die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt op
zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen. 2. Bij het uitvoeren van de in lid 1 neergelegde verplichting laat de hulpverlener zich
leiden door hetgeen de patiënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van: a. de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling die hij noodzakelijk acht en
van de uit te voeren verrichtingen; b. de te verwachten gevolgen en risico's daarvan voor de gezondheid van de patiënt; c. andere methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking komen; d. de staat van en de vooruitzichten met betrekking tot diens gezondheid voor wat
betreft het terrein van het onderzoek of de behandeling. 3. De hulpverlener mag de patiënt bedoelde inlichtingen slechts onthouden voor zover
het verstrekken ervan kennelijk ernstig nadeel voor de patiënt zou opleveren. Indien het
belang van de patiënt dit vereist, dient de hulpverlener de desbetreffende inlichtingen
aan een ander dan de patiënt te verstrekken. De inlichtingen worden de patiënt alsnog
gegeven, zodra bedoeld nadeel niet meer te duchten is. De hulpverlener maakt geen gebruik
van zijn in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid dan nadat hij daarover een andere
hulpverlener heeft geraadpleegd. Art. 449. Indien de patiënt te kennen heeft gegeven geen inlichtingen te willen ontvangen,
blijft het verstrekken daarvan achterwege, behoudens voor zover het belang dat de patiënt
daarbij heeft niet opweegt tegen het nadeel dat daaruit voor hemzelf of anderen kan
voortvloeien. Art. 450. 1. Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming
van de patiënt vereist. 2. Indien de patiënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van
zestien jaren heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem
uitoefenen of van zijn voogd vereist. De verrichting kan evenwel zonder de toestemming van
de ouders of de voogd worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig
nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien de patiënt ook na de weigering van
de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen. 3. In het geval waarin een patiënt van zestien jaren of ouder niet in staat kan worden
geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden door de
hulpverlener en een persoon als bedoeld in de leden 2 en 3 van artikel 465, de kennelijke
opvattingen van de patiënt, geuit in schriftelijke vorm toen deze tot bedoelde redelijke
waardering nog in staat was en inhoudende een weigering van toestemming als bedoeld in lid
1, opgevolgd. De hulpverlener kan hiervan afwijken indien hij daartoe gegronde redenen
aanwezig acht. Art. 451. Op verzoek van de patiënt legt de hulpverlener in ieder geval schriftelijk vast voor
welke verrichtingen van ingrijpende aard deze toestemming heeft gegeven. Art. 452. De patiënt geeft de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking
die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft. Art. 453. De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht
nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid,
voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Art. 454. 1. De hulpverlener richt een dossier in met betrekking tot de behandeling van de
patiënt. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van
de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken,
bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede
hulpverlening aan hem noodzakelijk is. 2. De hulpverlener voegt desgevraagd een door de patiënt afgegeven verklaring met
betrekking tot de in het dossier opgenomen stukken aan het dossier toe. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 455, bewaart de hulpverlener de bescheiden,
bedoeld in de vorige leden, gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij
zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed
hulpverlener voortvloeit. Art. 455. 1. De hulpverlener vernietigt de door hem bewaarde bescheiden, bedoeld in artikel 454,
binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van de patiënt. 2. Lid 1 geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs
aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de patiënt,
alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. Art. 456. De hulpverlener verstrekt aan de patiënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en
afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454. De verstrekking blijft achterwege
voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van een ander. De hulpverlener mag voor de verstrekking van het afschrift een
redelijke vergoeding in rekening brengen. Art. 457. 1. Onverminderd het in artikel 448, lid 3, tweede volzin, bepaalde draagt de
hulpverlener zorg, dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan
wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt dan
met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts
voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. De
verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de
voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht. 2. Onder anderen dan de patiënt zijn niet begrepen degenen die rechtstreeks betrokken
zijn bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst en degene die optreedt als
vervanger van de hulpverlener, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen
in dat kader te verrichten werkzaamheden. 3. Daaronder zijn evenmin begrepen degenen wier toestemming ter zake van de uitvoering
van de behandelingsovereenkomst op grond van de artikelen 450 en 456 is vereist. Indien de
hulpverlener door inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de
bescheiden te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht
te nemen, laat hij zulks achterwege. Art. 458. 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 457 lid 1, kunnen zonder toestemming van de
patiënt ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de
volksgezondheid aan een ander desgevraagd inlichtingen over de patiënt of inzage in de
bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt indien: a. het vragen van toestemming in redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de
uitvoering van het onderzoek is voorzien in zodanige waarborgen, dat de persoonlijke
levenssfeer van de patiënt niet onevenredig wordt geschaad, of b. het vragen van toestemming, gelet op de aard en het doel van het onderzoek, in
redelijkheid niet kan worden verlangd en de hulpverlener zorg heeft gedragen dat de
gegevens in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot individuele natuurlijke
personen redelijkerwijs wordt voorkomen. 2. Verstrekking overeenkomstig lid 1 is slechts mogelijk indien: a. het onderzoek een algemeen belang dient, b. het onderzoek niet zonder de desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en c. voor zover de betrokken patiënt tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar
heeft gemaakt. 3. Bij een verstrekking overeenkomstig lid 1 wordt daarvan aantekening gehouden in het
dossier. Art. 459. 1. De hulpverlener voert verrichtingen in het kader van de behandelingsovereenkomst uit
buiten de waarneming van anderen dan de patiënt, tenzij de patiënt ermee heeft ingestemd
dat de verrichtingen kunnen worden waargenomen door anderen. 2. Onder anderen dan de patiënt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de
medewerking bij de uitvoering van de verrichting noodzakelijk is. 3. Daaronder zijn evenmin begrepen degenen wier toestemming ter zake van de verrichting
op grond van de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door verrichtingen
te doen waarnemen niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te
nemen, laat hij zulks niet toe. Art. 460. De hulpverlener kan, behoudens gewichtige redenen, de behandelingsovereenkomst niet
opzeggen. Art. 461. 1. De opdrachtgever is de hulpverlener loon verschuldigd, behoudens voor zover deze
voor zijn werkzaamheden loon ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde
dan wel uit de overeenkomst anders voortvloeit. Art. 462. 1. Indien ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst verrichtingen plaatsvinden in
een ziekenhuis dat bij die overeenkomst geen partij is, is het ziekenhuis voor een
tekortkoming daarbij mede aansprakelijk, als ware het zelf bij de overeenkomst partij. 2. Onder ziekenhuis als bedoeld in lid 1 worden verstaan een voor de toepassing van de
Ziekenfondswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten als ziekenhuis,
verpleeginrichting of zwakzinnigeninrichting erkende of aangewezen instelling of afdeling
daarvan, een academisch ziekenhuis, een abortuskliniek in de zin van de Wet afbreking
zwangerschap alsmede een tandheelkundige inrichting in de zin van de Wet tandheelkundige
inrichtingen 1986. Art. 463. De aansprakelijkheid van een hulpverlener of, in het geval bedoeld in artikel 462, van
het ziekenhuis, kan niet worden beperkt of uitgesloten. Art. 464. 1. Indien in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens
een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht,
zijn deze afdeling alsmede de artikelen 404, 405 lid 2 en 406 van afdeling 1 van deze
titel van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet. 2. Betreft het handelingen als omschreven in artikel 446 lid 5, dan: a. worden de in artikel 454 bedoelde bescheiden slechts bewaard zolang dat noodzakelijk
is in verband met het doel van het onderzoek, tenzij het bepaalde bij of krachtens de wet
zich tegen vernietiging verzet; b. wordt de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee
te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen en, zo
ja, of hij daarvan als eerste wenst kennis te nemen teneinde te kunnen beslissen of
daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan. Art. 465. 1. De verplichtingen die voor de hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt
voortvloeien worden, indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft
bereikt, door de hulpverlener nagekomen jegens de ouders die het gezag over de patiënt
uitoefenen dan wel jegens zijn voogd. 2. Hetzelfde geldt indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, maar
niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake,
tenzij zodanige patiënt meerderjarig is en onder curatele staat of ten behoeve van hem
het mentorschap is ingesteld, in welke gevallen nakoming jegens de curator of de mentor
geschiedt. 3. Indien een meerderjarige patiënt die niet in staat kan worden geacht tot een
redelijke waardering van zijn belangen ter zake, niet onder curatele staat of ten behoeve
van hem niet het mentorschap is ingesteld, worden de verplichtingen die voor de
hulpverlener uit deze Afdeling jegens de patiënt voortvloeien, door de hulpverlener
nagekomen jegens de persoon die daartoe door de patiënt schriftelijk is gemachtigd in
zijn plaats op te treden. Ontbreekt zodanige persoon, of treedt deze niet op, dan worden
de verplichtingen nagekomen jegens de echtgenoot of andere levensgezel van de patiënt,
tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, jegens
een ouder, kind, broer of zus van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst. 4. De hulpverlener komt zijn verplichtingen na jegens de in de leden 1 en 2 bedoelde
wettelijke vertegenwoordigers van de patiënt en de in lid 3 bedoelde personen, tenzij die
nakoming niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener. 5. De persoon jegens wie de hulpverlener krachtens de leden 2 of 3 gehouden is de uit
deze titel jegens de patiënt voortvloeiende verplichtingen na te komen, betracht de zorg
van een goed vertegenwoordiger. Deze persoon is gehouden de patiënt zoveel mogelijk bij
de vervulling van zijn taak te betrekken. 6. Verzet de patiënt zich tegen een verrichting van ingrijpende aard waarvoor een
persoon als bedoeld in de leden 2 of 3 toestemming heeft gegeven, dan kan de verrichting
slechts worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de
patiënt te voorkomen. Art. 466. 1. Is op grond van artikel 465 voor het uitvoeren van een verrichting uitsluitend de
toestemming van een daar bedoelde persoon in plaats van die van de patiënt vereist, dan
kan tot de verrichting zonder die toestemming worden overgegaan indien de tijd voor het
vragen van die toestemming ontbreekt aangezien onverwijlde uitvoering van de verrichting
kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen. 2. Een volgens de artikelen 450 en 465 vereiste toestemming mag worden verondersteld te
zijn gegeven, indien de desbetreffende verrichtingen niet van ingrijpende aard zijn. Art. 467. 1. Van het lichaam afgescheiden anonieme stoffen en delen kunnen worden gebruikt voor
medisch statistisch of ander medisch wetenschappelijk onderzoek voor zover de patiënt van
wie het lichaamsmateriaal afkomstig is, geen bezwaar heeft gemaakt tegen zodanig onderzoek
en het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid wordt verricht. 2. Onder onderzoek met van het lichaam afgescheiden anonieme stoffen en delen wordt
verstaan onderzoek waarbij is gewaarborgd dat het bij het onderzoek te gebruiken
lichaamsmateriaal en de daaruit te verkrijgen gegevens niet tot de persoon herleidbaar
zijn. Art. 468. Van de bepalingen van deze afdeling en van de artikelen 404, 405 lid 2 en 406 van
afdeling 1 van deze titel kan niet ten nadele van de patiënt worden afgeweken.
Burgerlijk Wetboek, BOEK 7, TITEL 7, Opdracht
AFDELING 5
De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling
Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek, enz. (geneeskundige behandelingsovereenkomst)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtspositie van de patiënt te verduidelijken en te versterken, daarbij rekening houdend met de eigen verantwoordelijkheid van de hulpverlener voor zijn handelen als goed hulpverlener, en daartoe in het Burgerlijk Wetboek enige bepalingen op te nemen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Gegeven te 's-Gravenhage, 17 november 1994
Beatrix
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Wet van 3 april 1969, houdende vervanging van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek
Geschiedenis: Staatsblad 1995, 71;Staatsblad 1995, 283;Staatsblad 1997, 147;Staatsblad 1997, 287;Staatsblad 2000, 617;Staatsblad 2001, 25;Staatsblad 2001, 581;Staatsblad 2002, 215
Wij JULIANA, Bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek te vervangen door Boek 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en, in verband daarmede, dit boek alsmede het tweede, derde en vierde boek en de slotbepaling van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten te wijzigen, en overgangsbepalingen vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg dert Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: