Hits:
De invloed van risicodragendheid en risicoverevening op (huisartsgeneeskundige) zorg.

Analyse de Vrije Huisarts

21 maart 2007




lees hierbij ons visiestuk:
Er is een paradoxale situatie ontstaan




De invloed van risicodragendheid en risicoverevening op (huisartsgeneeskundige) zorg.

Sneller beter of langzaam slechter, dat is de keus. Een sterke eerste-lijn is beter voor patiënten, zo concludeerde de Gezondheidsraad. De overheid is gestart met een project om dit te bereiken en noemt het "sneller-beter". huisartsgeneeskundige zorg kan ook "sneller-beter" als zorginhoud, motivatie, randvoorwaarden en faciliterende wetgeving op elkaar worden afgestemd. Dit artikel gaat over de vigerende wetgeving. Werkt deze wetgeving echter faciliterend of blokkerend voor de versterking van de eerste-lijn? De regelgeving rond risicodragendheid en risicoverevening moet worden veranderd. Verlaging van de risicodragendheid van de zorginkoper voor eerste-lijn's zorg, is een van de directe voorwaarden om met deze zorginkoop de eerste-lijn (wel) sneller en beter te maken.

Inleiding

Elke dag leveren huisartsen hun huisartsgeneeskundige zorg. In de motor waarin dit gebeurt, wordt de as van de huisartsgeneeskundige zorg dagelijks aangedreven rond een radarwerk van 4 tandwielen. De as functioneert slechts optimaal wanneer deze 4 tandwielen met de juiste snelheid ronddraaien. Veranderingen (of het nu gaat over M&I of over betere kwaliteit of grotere capaciteit in het kader van substitutie) kunnen alleen succesvol worden geïmplementeerd als ook ieder individuele tandrad wordt aangepast. Het uiteindelijke resultaat wordt bepaald door het zwakste tandje van ieder rad.
Genoemde veranderingen kunnen pas op toeren (kwaliteit/volume) komen en blijven, als de 4 tandwielen van dit radarwerk goed geolied en onderling afgestemd gelijktijdig in dezelfde rotatiesnelheid en richting de as aandrijven.


Deze vier "tandwielen" om de as van de huisartsenmotor zijn:

  1. de inhoud. (standaarden), kennis, vaardigheden, houding en communicatie. Toekomstvisie/NHG-Meerjarenbeleidsplan 2006-2011.
  2. de motivatie. Het gaat over betrokkenheid bij resultaten en het nemen van verantwoordelijkheid en regie. Het gaat over creativiteit bij het oplossen van problemen. Over samenwerking met anderen en het verlenen van service. Als veranderingen (tandrad 1) in de praktijk als noodzakelijk worden gevoeld, kunnen ze beter bottom-up vanuit de praktijk worden doorgevoerd (tandrad 2). Dat geeft meer draagvlak. Regie over de zorg impliceert inspraak in invulling van de randvoorwaarden (tandrad 3) die hier voor nodig zijn, het liefst met aan te passen wetgeving (tandrad 4).
  3. de randvoorwaarden. Andere ondersteuning in personeel, nieuwe financiële middelen in de bekostigingsstructuur (post Vogelaar) voor return of investments voor zorgondernemers met de al lang geleden aangekondigde inkomensherijking, aanpassing in de organisatie in praktijken en een arbeidsanalyse.
  4. faciliterende wetgeving die aansluit op de universele visie van de noodzaak van versterking van de eerste-lijn. Hiertoe behoren aanpassingen in de NZa opvatting over de vermeende aanmerkelijke machtmacht van eerste-lijn's zorgaanbieders, een NZa sturing bij uitwerking van de visie over versterking eerste-lijn, een verandering in de risicodragendheid van verzekeraars voor zorgkosten, de invloed van risicoverevening op zorgkosten, het stimuleren van nulde lijn, het streven naar drempelloze huisartsgeneeskundige zorg in de buurt, het invoeren van in/uitsluit criteria voor tweede-lijn's DBC's, effecten van free riders gedrag op de zorg, opschalen bagatelregeling Mededingingswet, blokkades in WMG bij innovaties.
Permanent onderzoek naar deze 4 facetten is voorwaarde voor onderlinge afstemming.


Zorgverevening van zorgkosten voor verzekeraars

In de Zorgverzekeringswet (ZVW) is afgesproken dat verzekeraars alle verzekerden moeten accepteren (acceptatieplicht). Daarnaast is de individuele verzekeraar verplicht bij het aanbieden van hetzelfde pakket aan al hun verzekerden dezelfde premie te rekenen (verbod op premiedifferentiatie). De voorwaarde van verzekeraars was dan wel dat er voor hen een "compensatie" regeling getroffen werd. De zogenaamde vereveningsregeling. Dit werd geïntroduceerd om risicoselectie uit te sluiten. Immers 33% van de bevolking kost meer aan kosten dan hij [en zijn werkgever] aan premie betaalt, waarbij 20% van de verzekerden verantwoordelijk is voor 85% van de zorgkosten. Louter om financiële reden (verzekeraars mogen winst maken) zouden verzekeraars juist deze 33% van de bevolking dan liever niet verzekeren. Dat kan dus niet. Daarom is de afspraak dat een deel van de kosten van de verzekeraars achteraf door hen "onderling worden verrekend", ook wel verevenen genoemd.

Verevenen is onderling verrekenen van verschil tussen kosten en budget.

Een bijkomend "voordeel" van de verevening is dat er voor verzekeraars na de verevening weer een gelijkwaardig "speelveld" ontstaat om op de zorgmarkt te functioneren. Verevening wordt uitgevoerd door het CVZ en stelt hoge eisen aan gegevensuitwisseling en privacybescherming. Voor de uitvoering van de verevening door het CVZ is het noodzakelijk dat verzekeraars informatie aanleveren van diagnose kosten groepen (DKG) en van farmacie kosten groepen (FKG). Op basis van deze cijfers krijgen verzekeraars een normatieve bijdrage per verzekerde vooraf en een nacalculatie achteraf. Het percentage van de Nederlandse verzekerden in een FKG dat een hogere risicovereveningsbijdrage krijgt als gevolg van een FKG, is 16,5%. Het percentage verzekerden in een DKG is 2,5%.
De regels van deze kosten verevening horen bij ZVW en gelden dus vanaf 2006. Voorheen gold een andere vereveningsregel voor alleen ziekenfondsverzekerden, waarbij kosten voor een verzekerde boven een drempel voor een bepaald percentage werden "verevend".


Risicodragendheid van verzekeraars bij zorginkoop

Daarnaast is er de risicodragendheid van verzekeraars. Deze oude regel uit de ziekenfondstijd voor ziekenfondsverzekerden is nog steeds geldig. Maar nu, na de introductie van de ZVW, voor alle Nederlanders, dus ook voor de ex-particulieren. Verzekeraars mogen niet meer geld uitgeven dan de ministers (Financiën, VWS) hun aan budget geeft. Dat geldt voor de eerste-lijn en voor de tweede-lijn.

Eerst een plaatsbepaling van de eerste en tweede-lijn's kosten in de zorg en het BKZ:
Macrokosten Budgettair Kader Zorg (BKZ) in Nederland, 2003-2007
 2003 (€ miljard)2007 (€ miljard)
Bruto BKZ44,050,0
Netto BKZ41,746,3
Eigen betalingen2,33,7
Macrokosten curatieve zorg in relatie tot begroting (BKZ) Miljoenennota 2007
 2006 ( € miljoen)2007 (€ miljoen)percentage (2007)
Preventie61,8510,1%
Curatieve zorg 18.710,719.13938,2%
Totaal bruto zorguitgaven 200647.637,6 50.087100%
Enkele begrote macrokostenposten eerste- en tweede-lijn: Miljoenennota 2007
 2006 (€ miljoen)2007 (€ miljoen)
huisartsgeneeskundige zorg1.738,41.726
Algemene en categorale ziekenhuizen9.377,09. 840
Academische ziekenhuizen2.935,52.799
Diverse curatieve zorg424,2435
Medische specialisten1.630,81.714

Het verschil in risico voor verzekeraars bij zorginkoop in eerste- en tweede-lijn

Maar dan geldt de perversiteit in het risico wat verzekeraars lopen ("dragen") bij méérkosten (méér dan in het budget) in de eerste en tweede-lijn's zorgkosten:

  1. voor kosten eerste-lijn, inclusief huisartsgeneeskundige zorg, zijn verzekeraars 100% risicodragend. Dit betekent dat de meerkosten (dan vooraf bekend via budget/CVZ te innen zijn), voor rekening komen van de individuele zorgverzekeraars. Daarom wordt er niet tot matig geïnvesteerd in huisartsgeneeskundige zorg en daarom wijzen verzekeraars al 20 jaar naar de overheid, als je vraagt om meer investeringsruimte. VWS bepaalt immers de hoogte van het huisartsenbudget en bij overschrijding als gevolg van het contract huisarts-verzekeraar betalen de verzekeraars de meerkosten. Om dezelfde reden loont het investeren door huisartsen in hun eigen onderneming, ook niet. Nog afgezien van de beperkte contractduur in relatie tot eigen (lange termijn) investeringen. Huisartsen betalen in een (gelijkblijvend) gebudgetteerd systeem, de meerkosten immers uit hun eigen inkomen. Gevolg: stilstaand water.
  2. voor tweede-lijn's kosten hebben verzekeraars een andere regeling. Ziekenhuizen werken nog voor 90% van hun kosten met een zogenaamd "functiegerichte budgettering". De hoogte van dit ziekenhuisbudget wordt bepaald door aantal bedden, de adherentie, vaste kosten gebouwen en productie. Voor het in rekening brengen van meerkosten gelden regels. Echter na overeenstemming (ziekenhuis met VWS/Verzekeraar) worden verzekeraars voor deze extra vaste kosten in ziekenhuizen (stenen/bedden) nagecalculeerd en wel 95% van het verschil tussen daadwerkelijk extra kosten en budget. Zorgverzekeraars zijn met deze regeling zelf maar voor 5% risicodragend ten aanzien van deze meerkosten. Dit is/wordt met de WTZ-i en de nieuwe DBC financieringsstructuur, als onderdeel van de stelselwijziging, straks wel anders. Ziekenhuizen moeten daarbij steeds meer op eigen benen staan. Maar nu nog niet. Verzekeraars hebben nu nog niet de instrumenten om de budgetfinanciering in de tweede-lijn anders te regelen. Dit kan nog wel jaren duren. De overheid regelt het voor de verzekeraar zo gunstig omdat de mate van beïnvloedbaarheid van de vaste kosten in het ziekenhuis door de verzekeraars nihil is. Als uitgangspunt van de overheid geldt dan dat verzekeraars zo min mogelijk de rekening mogen betalen voor ziekenhuiskosten die niet direct samenhangen met hun cliënten.
  3. voor de productiegebonden "variabele" tweede-lijn's kosten (kosten specialist, verpleging) hebben verzekeraars ook een gunstige regeling. Hier zijn de verzekeraars 45% zelf risicodragend voor de meerkosten en kunnen 55% van de meerkosten wel worden nagecalculeerd. Dat de percentages van risicodragendheid voor verzekeraars van variabele tweede-lijn's kosten anders liggen dan bij de vaste kosten heeft deels (wel) met de beïnvloedbaarheid te maken.

Wat zijn de gevolgen van deze risicoverevening en risicodragendheid voor de huisartsgeneeskundige zorg?


Conclusies

  1. Herziening risicodragendheid zorgverzekeraars t.a.v. eerste en tweede-lijn is op korte termijn noodzakelijk.
  2. Ten behoeve van volumegroei van eerste-lijn's (substitutie)zorg, met als gevolg verlaging van de macrozorgkosten, is verlaging van de risicodragendheid van de zorginkoper voor eerste-lijn's zorg, een directe voorwaarde.
  3. De eerste-lijn's zorg wordt "sneller-beter", juist als de faciliterende wetgeving (ook) verandert.




   
In onderstaande stukken refereerden wij al eerder naar deze risicodragendheid en de gevolgen daarvan:
  1. De Patiëntmanager, De huisarts in de eerste lijn en tussen de lijnen, door Bram de Wit, huisarts, bestuurslid DVH, 4 oktober 2006
  2. "Willen is kunnen", Een brief van onze nieuwe DVH-voorzitter, Rob Schonck, 28 augustus 2006
  3. Maximale substitutie, Anton Maes, huisarts en bestuurslid St. de Vrije Huisarts, Jan-Erik de Wildt MHA, Commonsense(24), 3 juli 2006
  4. HAAST-DVH in 2006, 16 actiepunten van de Vrije Huisarts, 21 december 2005
  5. Voorstellen minister Hoogervorst VWS aan CTG inzake Huisartsengeneeskunst, Voorlopige conclusie van DVH/ELHA, 12 april 2005
  6. De invloed van overheidsbeleid op huisartsenzorg, Anton Maes op congres "Meters maken, modernisering eerste lijn", Terschelling, 27 januari 2005
  7. Basiszorg is de gezonde basis van een zorgstelsel, Een goede drempelloze huisartsenzorg basis voor betaalbaar zorgstelsel, 4 november 2004
  8. Wrijfpunten m.b.t. huisartsenzorg en concrete beleidsaanbevelingen, De Vrije Huisarts schrijft een brief aan Hans Hoogervorst, 23 oktober 2004
  9. De dubieuze rol verzekeraars bij totstandkoming nieuwe financieringsstructuur, Analyse De Vrije Huisarts, 20 oktober 2004
  10. De moeizame geboorte van het nieuwe financieringsstelsel voor huisartsenzorg, Deel II, analyse De Vrije Huisarts, 24 januari 2004
  11. Markt als beleidsinstrument voor huisartsenzorg, Vals machtspel leidt tot maatschappelijke en menselijke schade, Anton Maes, 15 oktober 2003

   
gratis NIEUWE Adobe 8.0 PDF-reader


Bent u al donateur van De Vrije Huisarts? Meteen DOEN.