door Anton Maes, maart 2002
Twee jaar geleden heb ik in een eerder artikel over de praktijkkosten in "De Huisarts" de vraag gesteld of de huisarts op basis van economische principes de afgesproken basale huisartsentaken nog wel kan uitvoeren en welke keuzes daarbij gemaakt kunnen worden
(1). Anno 2002, na alle perikelen die er zijn geweest, zijn ook de praktijkkosten steeds onderwerp van gesprek geweest. Nu met de huidige contractering er zelfs over gesproken moet worden, is het zeker een issue. Te meer omdat blijkt dat de kloof tussen wat nodig is en wat huisartsen aan kostenvergoeding ontvangen alleen maar groter is geworden
Met alle publiciteit rond de problemen in de huisartsenzorg is er beter inzicht gekomen in de financiële positie van de huisarts. Of meer inzicht in de kosten ook leidt tot meer uitzicht op een oplossing, waag ik te betwijfelen. Meer inzicht betekent wel dat keuzes nu beter onderbouwd kunnen worden gemaakt. In dit artikel sta ik kort stil bij de voorgeschiedenis, ga ik in op nieuwe inzichten en kom ik tot slot met een aantal aanbevelingen. Zonder overigens de intentie en pretentie te hebben compleet te zijn.
Een korte terugblik…
De normatieve praktijkkosten worden vastgesteld door de Commissie Tarieven Gezondheidszorg (CTG) en worden jaarlijks aangepast. Deze kosten worden gespecificeerd in twaalf deelposten. Uitgangspunt van het CTG is dat een aanpassing moet passen binnen de Wet Tarieven Gezondheidszorg (WTG), moet passen binnen het (te zuinige) Budget Kader Zorg (BKZ) van de minister en ook nog moet worden beoordeeld op consequenties voor andere vrije beroepsbeoefenaren. Inmiddels is duidelijk dat huisartsen hier niet meer mee uit de voeten kunnen. Huisartsen zijn tussen 1987 en 1998 33% meer gaan werken en worden geconfronteerd met veranderingen in de maatschappij, in hun werk en in de beroepsgroep.
In 2000 verschijnt het LHV-praktijkkostenrapport van Deloitte & Touche (2). Hierin wordt geïnventariseerd wat de kosten zijn om nu en in de nabije toekomst op adequate en moderne wijze huisartsenzorg te blijven geven. Hierop claimt de LHV in hetzelfde jaar een kostenvergoeding van macro 1 miljard gulden. Uiteindelijk wordt na alle heisa het budget slechts verhoogd met ‘de helft van de helft’, ofwel 250 miljoen gulden en dat ook nog pas per 1 juli 2001.
Stand van zaken februari 2002:
|
CTG-vergoeding kosten 2002 (werkelijke vergoeding) |
Deloitte & Touche 2002 (noodzakelijke vergoeding) |
| € 86.934,31 | € 140.555,24 |
| f 191.578,- | f 309.743,- |
Consequenties voor de beroepsgroep
Een dermate groot verschil tussen wat nodig is en wat de huisarts krijgt, heeft natuurlijk consequenties voor de praktijkvoering. Er zal weinig animo zijn voor investering en innovatie. Huisartsen zijn vooral bezig de financiële touwtjes aan elkaar te knopen. Zij vertonen bezuinigingsgedrag. Ze zijn defensief in plaats van offensief, bezig met het hier en nu in plaats van met de toekomst. Ze zijn niet bezig met het uitwerken en realiseren van hun visie of hun (eigen) mission statement. Dit gaat op voor alle niveaus, zowel voor de individuele huisarts als de hagro en de beroepsvereniging. Het is een kwestie geworden van overleven in een schrale omgeving en dat zonder uitzicht op beter.
De grootste omissies in de huidige CTG kostenregeling zit in de posten personeelskosten (3), waarneming (4) en ICT. Hierdoor is er onvoldoende ruimte voor taakdelegatie, werktijdaanpassing en ICT-innovatie. Praktiseren huisartsen in een gebouw van meer dan 80 vierkante meter of zitten ze op dure grond, dan kan de huisvesting er als vierde post aan worden toegevoegd. In bredere zin is er een ongezond investeringsklimaat met negatieve consequenties voor praktijkvoering, kwaliteit en arbeidsmoraal. Zo kan het niet verder, constateert de LHV. Juni 2000 presenteerde de LHV haar rapport van Deloitte & Touche, in december van hetzelfde jaar stelde minister Borst de staatscommissie Tabaksblat in.
De eerste conclusie van de commissie Tabaksblat (5) is dat de huidige manier van financieren een noodzakelijke modernisering van de huisartsenzorg in de weg staat. Verder dienen de praktijkkosten volledig gescheiden te zijn van de inkomsten. Op basis van een bedrijfsplan gaan huisartsen met de verzekeraars in onderhandeling.
Het goede van dit rapport is dat hiermee de WTG wordt losgelaten. Het slechte is de blijvende macht van de verzekeraars, die bij onderhandelen de zorg gewoon blijven zien als schade en, nog erger, daar ook niet op worden aangesproken, hoe mooi je bedrijfsplan ook is. Na het verschijnen op 5 april 2001 heeft het rapport Tabaksblat een hoog bureaulagehalte gekregen.
Kostenrapport Deloitte & Touche
Het sterke punt van dit rapport is dat er eindelijk na 1987 eens een rapport is met een kostenanalyse van wat de huisarts nodig heeft, ofwel: ‘voor de huisarts en door de huisarts’. Ook het opnemen van extra assistentie en vakantie-waarneming is een sterk punt.
Als we nu, ruim 2 jaar later, een nieuwe analyse maken dan zijn de volgende punten of niet of onvoldoende aan de orde gesteld:
De situatie is nu dat er niet alleen een grote kloof bestaat tussen de noodzakelijke (D&T) en verkregen (CTG) kostenvergoeding, maar ook tussen het D & T-rapport van twee jaar geleden en de situatie van vandaag de dag. Vastgesteld kan worden dat ook dit rapport op hoofdlijnen snel moet worden herzien. Kortom, uit oogpunt van visie op huisartsenzorg is de kloof dus in werkelijkheid nog veel groter (geworden). Een weinig aantrekkelijke conclusie.
De zwakste schakel
Succesvol veranderen van een huidige kostenvergoeding naar een noodzakelijke kostenvergoeding is een optelsom van:
Hierbij zijn vier partijen betrokken: de huisartsen, de verzekeraars, het CTG en de overheid. Vooral bij de punten 2 en 3 liggen de omissies. Wie is daar nu voor verantwoordelijk? Welke partij is de zwakste schakel?
De huisartsen?
Laten we eerst maar eens ons eigen aandeel onder de loep nemen. Jarenlang is praten over geld en kosten not done geweest. Huisartsen hebben goed voor hun patiënten gezorgd, maar slecht voor zichzelf en slecht voor een gezonde praktijkvoering. Toen na dertien jaar er eindelijk eens een deugdelijk rapport verscheen, is vervolgens de meerderheid van de huisartsen in juni 2001 akkoord gegaan met 25% van de claim. Was de nood nu zo hoog of overzien we hiervan de consequenties niet?
Het CTG?
Hun voorman heeft in 2001 ruime aandacht gekregen in dit blad en in Medisch Contact om zijn zorgen over de zorg uit te spreken
(10 en 11). Duidelijk is dat zijn zorgen niet de continuering van huisartsenzorg betreffen. Het CTG rekent niet transparant en bepaalt zelf doel en tempo van haar besluiten. Per 1 januari 2003 wordt in het kader van Europese regelgeving de WTG opgeheven. Wat mij betreft wordt 31 december 2002 dan ook uitgeroepen tot een nationale feestdag.
De verzekeraars (ZN)?
Nu zij zowel de regisseur als de financier van de zorg in Nederland zijn, passen zij een verdeel-en-heers-tactiek toe. Zij hebben deze rol niet verdiend (geen gezag), maar van de politiek in de schoot geworpen gekregen, en dat is te merken (wel macht). Keer op keer vinden verzekeraars de goedkoopste oplossing de beste, en keer op keer staat de relatie met hen onder druk. Twee weken na het ondertekenen van het hoofdlijnenakkoord in februari 2001 gaf ZN aan dat 70 miljoen gulden extra voor de praktijkkosten wel voldoende was… Ook richting een aanvullende kostenvergoeding na juli 2001 ontbreekt elk reëel voorstel. De verzekeraars hebben een visie op schade, maar als er moeten worden geïnvesteerd in de zorg, dan wijzen ze graag naar het CTZ en/of de overheid
(12).
De overheid/VWS?
De overheid heeft de zorg volledig in haar eigen voordeel dichtgereguleerd. De minister kent het D&T rapport na vijf maanden nog niet, benoemt de commissie Tabaksblat, zegt vooraf er veel waarde aan te hechten, maar doet met hun conclusies (nog) niets. Ze neemt het ZN-voorstel van 70 miljoen schaamteloos over. Eind juni 2001 zegt ze dat extra gelden maar gevonden moeten worden binnen het huidige BKZ en presenteert dan in 2002 dat dit extra gelden zijn. Ze zegt in januari 2001 een AOV-vergoeding toe, maar één jaar later is er nog niets geregeld. Ze roept dat solisten zo duur zijn en dat een HOED beter en goedkoper is, maar een financiële onderbouwing blijft achterwege. En als er moet worden geïnvesteerd, wijst ze door naar de verzekeraars
(13).
De sterkste schakel
De sterkste schakel is het geleverde werk van huisartsen. Door een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing en een hoge inzet leveren zij een kwalitatief hoog "produkt". Ook de commissie Tabaksblat erkent dat de huisarts in moeilijke tijden goed werk heeft verricht. Daar waar de Nederlandse gezondheidszorg als rijkste West Europese land is afgegleden naar de 17e plaats op de wereldranglijst (17), met personeelstekorten en wachtlijsten, is de Nederlandse huisartsenzorg (nog) redelijk overeind gebleven. Toch kraakt ook de huisartsenzorg in haar voegen (14 en 15). In februari 2002 presenteert de Consumentenbond dat 80% van de Nederlanders tevreden is over hun huisarts, waarbij de huisarts een 7,7 krijgt als rapportcijfer voor deskundigheid en vertrouwen (16).
Hoe nu verder met de praktijkkosten?
Een goede praktijkkostenvergoeding is geen garantie voor een gezonde praktijk-voering. Daarentegen is voor een gezonde praktijkvoering een goede kostenvergoeding een van de noodzakelijke voorwaarden. Begripsomschrijving is wenselijk.
Tot slot: prettig winkelen
Huisartsen handelen 90% van de gezondheidsvragen af voor 4% van de kosten. In een winkel waar je voor een miniem bedrag 90% van je boodschappen kunt kopen, is het voor partijen prettig winkelen. Echter, huisartsen zijn verantwoordelijk voor de door hen geleverde diensten en worden daarop ook afgerekend, niet alleen kwalitatief maar ook juridisch (civielrechtelijk, tuchtrechtelijk en klachtrechtelijk). Om verantwoord werk te leveren, is een gezonde praktijkvoering noodzakelijk en dus ook een waardige kostenvergoeding. Om een goede praktijkkostenvergoeding binnen te kunnen halen, is er slechts een bewijs, namelijk het doen. Straks is nu, morgen is het misschien te laat.
Bronnen
[Ook leesbaar door de muis boven het verwijzingsnummer in de tekst te houden]
[Dit artikel verscheen als ingezonden in "Huisarts online"]
Sitebeheer: Evertjan Hannivoort