Zorgelijke tarieven (
Medisch Contact
van 31 mei 2002 jaar 57, nr.22, blz.852 e.v.)
Een reactie:
Dieren, 31 mei 2002
Aan:
Rudo van den Brink & Antonet Dortmans.
Geachte mevrouw Dortmans en heer van den Brink,
Met interesse heb ik kennis genomen van uw artikel deze week in Medisch Contact. U uit uw twijfels over een door de beroepsgroep gewenste inkomensstijging, omdat het normatieve inkomen vrije beroepsoefenaren volgens U minimaal marktconform is toegenomen. Daarnaast stelt U dat mogelijk de benodigde budgettaire ruimte niet aanwezig is.
Als huisarts heb ik mij 2 jaar geleden bezig gehouden met de problematiek van het huisartsenhonorarium. Dit heeft toen geleid tot een publicatie in “de huisarts”, het lijfblad van de LHV. (“wat zijn we waard?”, de huisarts, jan.2001, nr 1, blz.13).
Ik wil in onderstaande mij dan ook beperken tot het inkomen van de huisarts.
Mijn opmerkingen:
- De laatste inkomensherijking voor huisartsen dateert van 1983. De laatste herijking van de praktijkkosten vond plaats in 1987, met dien verstande dat per 1 juli 2001 een normpraktijk er op jaarbasis 35.000 NLG kostenvergoeding bij krijgt. Huisartsen kennen (nog) geen scheiding van kosten en inkomen. Ofwel de meerkosten uit de praktijk betaalt de huisarts uit zijn/haar inkomen. Dit is al een reden waarom U de huisarts niet moet vergelijken met een CAO in de zorg.
Op dat moment is het plaatje over het inkomen ook niet meer van toepassing: het werkelijke inkomen ligt dan namelijk lager.
- U stelt dat de tarieven horen bij een normatieve werkbelasting. Maar wat een normatieve werkbelasting in 1983 is, is een heel andere werkbelasting bij een normpraktijk in 2002. Om U een indicatie te geven. Tussen 1987 en 1998 is de toename uurbelasting per ziekenfondsverzekerde gestegen van 100 naar 153%. Dit meerwerk is niet betaald. Dat wil zeggen dat in deze zelfde tijd, en met inflatiecorrectie, het ziekenfondsuurtarief voor patientgebonden werk met 42% is gedaald. Als je de gegevens van 1998 tot 2002 hier nog bij betrekt, wordt het beeld nog ernstiger (zie b.v. LINH cijfers: Jabaaij, L., Huisarts & Wetenschap, 45 (5) mei 2002, blz.229).
- Bij het inkomen hoort ook een onderzoek naar de functiezwaarte. U kunt ons werk niet zo maar vergelijken met de CAO in de zorg. Het buro Hay heeft in juli 2001 een onderzoek verricht naar kennis en kunde, naar mate van verantwoordelijkheid en de probleembehandeling, bij elkaar opgeteld de functiezwaarte genoemd. "Huisartsen verdienen een ton te weinig", kopte Medisch Contact in augustus 2001. Want wat Hay wel gedaan heeft, en U niet, is het meerwerk berekenen en een loon berekenen voor de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW). Exclusief het ontstane meerwerk hebben de huisartsen een inkomensclaim van 25%, met meerwerk erbij is dat 47%. Dat is inderdaad hoog, maar U kunt het ook anders bekijken.
Wie heeft al die jaren eerder dit werk betaalt?
Het antwoord is natuurlijk: de huisarts zelf. Ofwel U dient de huidige claim uit te smeren over de periode van 1983 tot 2002 en dan valt de stijging per jaar wel mee. Ook hier wederom de opmerking ons niet met een CAO te vergelijken. Veel zorginstellingen hebben, door zich wel aan de arbeidstijden te houden, wachtlijsten opgebouwd. Met extra gelden later kon meer en langer personeel worden ingezet. Daarentegen hebben huisartsen alle jaren gekozen om het meerwerk wel, en tot heden onbetaald, uit te voeren. Het is dan ook wrang te constateren dat er wel geld beschikbaar is om wachtlijsten weg te werken, maar het meerwerk van de huisarts, tot heden, niet wordt betaald.
- Voor al het onregelmatige werk, ANW diensten en meerwerk, ontving de huisarts tot 2002 ongeveer 11.000 NLG per jaar, ook wel inconveniententoeslag genoemd of 2 periodieken.Voor de huisartsendienststructuur verdiende de huisarts in de ANW dienst, dus op incourante tijden, € 2,60 per uur. Dat zal in geen enkele CAO elders geaccepteerd worden. Huisartsen willen op basis van het Hay rapport bijna € 61 per uur. Ze werken dan 300 uur ANW per jaar in een centrale dienststructuur. Ook hier is de stijging fors, maar deze wordt verklaard door de onderbetaling tot heden en niet door het nu vragen van een onredelijke bedrag.
- Een huisarts is veelal een ondernemer en heeft, in tegenstelling tot een werknemer in de zorg, een ondernemersrisico. Met de oprichting van het goodwillfonds is dit voor huisartsen uit de kostenvergoeding geschrapt.
Dit risico is allengs groter geworden, deels door mismanagement van verzekeraars en overheid, bv het negeren van schaarste. Denk ook aan arbeidsrechtelijke claims in de personeelssfeer, HOED-investeringen die bij geen opvolging voor rekening komen van de huisarts, dubieuze debiteuren, etc.
Het praktijkerhouderschap is meer tijd gaan vragen en brengt mede daardoor een hoger risico met zich mee. Dit vertaalt zich ook in een hogere incidentie van arbeidsongeschiktheid bij huisartsen. De commissie Ginjaar heeft bij specialisten gekozen voor een opslag voor het ondernemersrisico van 5%.
Dan uw tweede tabel: de vergelijking met een ambtenarenschaal.
- Tot 1984 waren huisartsen ingedeeld bij schaal 151 max. De ambtenaren met deze schaal gingen toen in schaal 15, maar de huisartsen in schaal 14!
- Gezien de functiezwaarte toen en nu, is het niet ondenkbeeldig dat een huisarts inmiddels in schaal 16 of zelfs 17 zou zitten. Wie zal het weten?
- U begint uw tabel in 1994 Echter in 1994 ging de huisarts er 0,3% op achteruit en in 1994 bleef het inkomen “nul”. Pas in 1995 gingen huisartsen er 1,45% op vooruit.
- Het norminkomen wordt nu jaarlijks trendmatig aangepast met een CBS index gemiddeld uit verzekeringswezen, pensioenwezen, openbaar bestuur, welzijn- en gezondheidszorg. Ook hier weer blijft de vraag waarom arbeidstijden, functiezwaarte en meerwerk niet worden meegeteld?
Kortom, praten over geld en inkomen betekent dat je zoekt naar een waardering voor geleverde diensten, kwalitatief en kwantitatief en dat naar de maatschappelijke norm van deze tijd. Het gaat bij huisartsen om veel geld. Daarnaast is er ook nog een claim ten aanzien van een praktijkkostenvergoeding.
Ik hoop met dit stuk U duidelijk te maken dat meerwerk en ANW werk al jarenlang niet tot slecht betaald zijn, dat sommige huisartsen een deel van hun kosten uit hun inkomen betalen en dat het inkomen an sich sinds 1983 met oog op de functiezwaarte niet meer is herijkt. Verder hebben huisartsen een (stijgend) ondernemersrisico. Om al deze reden vind ik de inkomensclaim terecht. De vergelijking met de loonsector gaat deels om aangegeven redenen niet op.
De politiek zal nu de prioriteiten moeten stellen. Het kan toch geen toeval dat op dezelfde pagina in Medisch Contact schrijver Maarten Cox zich afvraagt of Nederland eigenlijk wel een sterke huisartsgeneeskunde wil? Ieder land krijgt de huisartsgeneeskunde die het verdient, eindigt hij.
We wachten nu maar even af.
Met hartelijke groet,
Anton Maes (ook op persoonlijke titel)
Een reactie uwerzijds wordt op prijs gesteld. Ik stuur deze reactie ook naar Medisch Contact.