Bezwaarschrift
Hoofdzaken publieksversie van het inhoudelijk bezwaar zoals ingediend op 8 maart 2001
Wat brengen bezwaarden met name onder het voetlicht?detail
1. Het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG) maakt gebruik van een zeer gedateerde systematiek om tarieven vast te stellen. Dit systeem heeft inmiddels geen relatie meer met de werkelijke kosten. Het op deze manier tarieven vast stellen staat op gespannen voet c.q. is onverenigbaar met de Wet Tarieven Gezondheidszorg (WTG). In
bijlage 1
worden de veranderingen in werkbelasting weergegeven.
detail
2. Het niet volgen van de ontwikkelingen en toch tarieven vaststellen is onzorgvuldig te noemen.
detail
3. De systematiek gaat uit van gemiddelde kosten. Dit betekent dat iedere investering voor verbetering wordt afgeremd. Wil een huisarts 'boven het gemiddelde' uitstijgen dan moet hij dit op eigen kosten doen. Er staan geen extra inkomsten tegenover. Heeft een huisarts om andere redenen hogere kosten (duurder pand, ouder/meer ervaren personeel) ook dat moet hij uit eigen inkomen bijpassen. Het niet mogelijk maken van een betere kostenvergoeding is het CTG te verwijten.
detail
4. De systematiek van tariefvaststelling wordt aangepast op basis van a-specifieke indexeringen. Door niet meer beroepsgroep- of branchespecifieke cijfers te gebruiken dwaalt het tarief verder af van de dagelijkse praktijk en werkelijkheid. Het CTG gedraagt zich als rekenmeester en niet als bestuursorgaan. Juist omdat de WTG een kaderwet is heeft die Wet ruime marges om met de tijd mee te bewegen. Door naar cijfers te kijken van andere dienstverlenende enkel-mans bedrijven (advocatenkantoren, makelaardij, adviesbureaus en administratiebedrijven, maar ook éénmans zaken in MKB sector) had CTG tenminste kunnen vermoeden dat goede dienstverlening meer geld kost dan in de systematiek wordt toegekend. ( zie
bijlage 2)
detail
5. Door zo te handelen is mede bevorderd dat er inmiddels schaarste is aan huisartsenzorg. De financiële toestand van de branche is niet meer in staat 'wervend' te werken. Kostenposten als personeel kunnen jaarlijks enkele tienduizenden guldens hoger uitvallen dan in het tarief wordt terugverdiend. Kostenpost als gevolg van ruimere huisvesting praktijk kunnen ook niet terugverdiend worden. (
bijlage 3)
Hoe kan dat huisartsen aantrekken tot het voeren van een eigen praktijk?
detail
6. Over de arbeidsongeschiktheidspremie wordt op vijf onderdelen bezwaar gemaakt:
detail
a. Het CTG is veel te afwachtend geweest: zij wist van stijging AOV premie over 1999 en 2000 maar wachtte tot 2001 met doorberekening van die stijging.
detail
b. Het CTG gaat uit van slechts een gedeeltelijke vergoeding van de premie. Dit is principieel onjuist: enerzijds vindt ze waarneemkosten wel een kostenpost, maar de verzekering tegen kosten van langdurende waarneming niet. Dit is innerlijk strijdig.
detail
c. Het CTG wil bij vaststelling voor het nieuwe tarief per april 2001 ook kijken naar de polisvoorwaarden van de AOV. Dit is een wijze van inmenging in de bedrijfsvoering die geheel niet past bij de tot nu toe juist zeer afstandelijke systematiek van het CTG. Het is dus een onbegrijpelijke handelwijze die niet stoelt op een beleidslijn.
detail
d. Er werd bij vaststelling van het beleid t.a.v. het inkomen in 1983 uitgegaan van een vergelijking met een ambtenaar in schaal 151 (14 BBRA). De redenering wat betreft het slechts gedeeltelijk vergoeden van de premie Arbeidsongeschiktheid verzekering (AOV) zich daarbij beroepend op gebruiken bij ambtenaren gaat mank aan consequent gebruik van die vergelijking: op het ene moment vindt het CTG dat de huisarts vergeleken kan worden met een ambtenaar, maar op enig nader moment gebruikt ze die vergelijking niet (en wel met name als dat zou leiden tot kostenverhoging)
detail
e. in het tarief zit maximaal 10.000 terwijl een huisarts sinds 2001 maximaal 40.000 premie betaalt. Dit is een onverkoopbaar manco van het tarief.
Bijlage 4 (cijfers MOVIR premie 2001)
detail
7. Met betrekking tot het inkomen is er in het geheel geen controle of verificatie geweest of het uitgangspunt van 1983 nog wel passend is. De vergelijking met de ambtenaar is uiteindelijk bewust verlaten echter zonder dat er op dat moment is gekeken of de beloning nog passend was bij de taken die de huisarts verricht. Ook dit leidt ertoe dat de beschikking onvoldoende onderbouwd is.
detail
8. Er is ongelijkheid in inkomensontwikkeling: in de ziekenhuissector leidt de budgettering niet tot directe inkomensaantasting maar tot productiebeperking. In de huisartsensector zijn wachtlijsten ondenkbaar nu productiebeperking geen instrument is, dus moet bij een beperkt tarief het inkomen er onder lijden. Dit is een ongelijkheid in uitwerking van CTG systematiek die niet passend is gezien de opdracht om een evenwichtig systeem van tarieven neer te leggen.
detail
9. Het CTG gebruikt de WTG verkeerd/eenzijdig: alleen budgetbewaking lijkt het doel te zijn, dit in tegenstelling tot de uitgebreidere doelstelling van de WTG.
detail
10. Door het niet financieel vertalen van het door de overheid gewenste en de door de beroepsorganisaties daarvoor al in gang gezette professionalisering van de huisartsenzorg is de huidige, nog immer op de solerende huisarts gebaseerde tariefsvaststelling, niet alleen ouderwets maar mist het iedere prikkel tot verandering en samenwerken in de eerstelijnszorg. Deze tariefstelling is slechts geschikt voor een vorm van gezondheidszorg die de overheid niet meer wenst, die in de beroepsgroep steeds uitzonderlijker wordt en die daardoor niet meer past bij de situatie waarin de Nederlandse huisarts geacht wordt zijn werkzaamheden vorm te geven. Het CTG had de regisseur moeten zijn en heeft alleen als een rekenmeester het budget bewaakt.
detail
Concluderend komen bezwaarden tot de slotsom
1. dat tengevolge van deze niet bij-de-tijdse systematiek een niet richtig tarief verkregen is waarin de werkelijke kosten niet vertaald zijn noch het inkomen dat wordt gesuggereerd haalbaar is.
detail
2. dat ondanks dat representatieve organisaties (ZN en LHV) in staat lijken binnen het huidige budget gezamenlijk tot een aanvraag te komen, dit het CTG niet had mogen ontslaan van haar eigen verantwoordelijkheid waar het gaat om het uitvoering geven aan en controle houden op een evenwichtige uitvoering van de doelstellingen van de WTG.
detail
3. Door te handelen dan wel na te laten zoals in het bovenstaande gesteld is het bestuursorgaan nalatig jegens bezwaarden nu het de doelstelling van de WTG en de aan haar gegeven bevoegdheden verkeerd en/of onzorgvuldig heeft gebruikt.
detail
Zodat de beschikking als onjuist gezien moet worden. En verzoeken..
detail
Voor de liefhebbers:
totale detaillering van het bezwaarschrift