Inhoudelijke afspraken modernisering en innovatie
Samenwerking van huisartsen (onderling) en met andere eerstelijns zorgaanbieders is van groot belang om de veranderende zorgvraag te kunnen beantwoorden. In het
Vogelaarakkoord [pdf] (pagina 2) van 13 juni 2005 is vastgesteld dat de afspraken over modernisering en innovatie betrekking moeten hebben op:
- het stimuleren van samenwerkingsverbanden
- een verdere programmatische aanpak van chronische aandoeningen
- substitutie van zorg van tweede naar eerste lijn
- kwaliteitsbevordering van de huisartsenzorg
Bij de start van de zorgverzekeringswet 2006 hebben regionale huisartsen duidelijke M&I afspraken gemaakt met hun preferente zorgverzekeraars. Er is voor 2006 op veel plaatsen een goede M&I start gemaakt.
Stichting de Vrije Huisarts ziet alleen maar extra redenen om voor 2007/2008 op dezelfde weg door te gaan. Er is bij de uitwerking van de genoemde modernisering en innovatie nog een grote slag te maken. Wij voelen ons gesteund door de brief van de minister (CZ/EZ/2726175) waarin hij de NZa een aanwijzing geeft over innovatieve zorg. De minister heeft het erover dat innovatie toch voornamelijk proberen en doen is.
"Ik wil dat het veld aan de slag kan", zo zegt hij in deze brief. Ook stelt de minister dat de module een vrij tarief en een eenvoudige procedure kent met betrekking tot het omschrijven van de prestatie.
Mits de M&I activiteiten evidence-based zijn en voldoen aan bovenstaande criteria, kunnen deze activiteiten in een versneld tempo onder de hoede van de eerste lijn, c.q. de huisartsenzorg worden gebracht. Hiervoor is snelle

en verdere uitbreiding van de M&I activiteiten op haar plaats. Daarom willen wij geen plafond in de financiering van dit M&I budget.
Bij het opnemen van de Modernisering en Innovatie (M&I) module in het huisartsencontract spelen wens en noodzaak van een aantal landelijke ontwikkelingen een belangrijke rol. Bijlage II
Al deze in bijlage II ontwikkelingen kosten tijd, energie, middelen en geld. Dat betekent dat de randvoorwaarden die hierbij horen vooraf en duurzaam geregeld moeten zijn. Stichting de Vrije Huisarts zit op de lijn dat indien verzekeraars bereid zijn met huisartsen vast te stellen dat de huisarts ondernemer is, er ook ruimte moet komen om te ondernemen en te innoveren. Huisartsen willen investeren, maar investeren gaat niet samen met eenjarige contracten zonder uitzicht hoe het na afloop van dat ene jaar verder gaat.
Samenwerkingsverbanden van huisartsen (onderling) en andere eerstelijns zorgaanbieders (fysiotherapeuten, verloskundigen, apothekers, GGZ, maatschappelijk werk etc.), al dan niet onder een dak, zijn van belang voor kwalitatief goede zorg aan patiënten, dicht in de buurt. Deze zorg is beschikbaar voor alle Nederlanders. De poortwachter- en spilfunctie van de huisarts, vastgelegd in de Zorgverzekeringswet, kan in een dergelijk samenwerkingsverband optimaal worden vormgegeven. De randvoorwaarden, in de zin van de noodzakelijke middelen voor arbeid en organisatie voor een gezondere praktijkvoering, moeten worden aangepast om bij deze samenwerking de regierol van de huisarts in de eerstelijnsgezondheidszorg te versterken.
Afspraken over het voorschrijfbeleid van medicijnen tussen huisartsen en zorgverzekeraars kunnen alleen onderdeel vormen van het af te sluiten contract, als de professionele autonomie van de huisarts wordt/blijft gewaarborgd. De huisarts die enerzijds individueel verantwoordelijk is voor het schrijven van een individueel recept, is anderzijds (dan) ook de enige die bepaalt welk recept er wordt voorgeschreven.
Het NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap) heeft een systeem voor accreditatie van huisartsen ontwikkeld. Accreditatie is begonnen als intercollegiaal toetsingsinstrument en geldt als keurmerk voor een professionele praktijkvoering. Huisartsen moeten worden gestimuleerd hier aan deel te nemen. De NHG kosten zijn anno 2006 voor drie jaar € 5750,- per normpraktijk, exclusief BTW. Daarnaast geldt een tijdsinvestering van ruim 84 werkuren per 3 jaar voor de deelnemende huisarts en/of zijn medewerkers. Financiering van investeren in kwaliteit hoort te worden betaald door de overheid en juist niet door (financieel belanghebbende) verzekeraars.
De ontwikkeling van het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD). Het EPD kan een bijdrage leveren aan kwaliteit van zorg en goed op elkaar afgestemde zorg, zoals bij LESA’s en LTA’s. De noodzaak tot een goed centraal beheer van het EPD staat ook niet ter discussie. De voorwaarden waaronder de huisarts dit beheer op zich zal kunnen nemen, zijn bekend.
Stichting de Vrije Huisarts stelt helder dat de huisarts niet om niets zijn bedrijfsgegevens overdraagt. Het eigen HIS van de huisarts heeft een belangrijke intrinsieke waarde, financieel en niet financieel, en weerspiegelt jarenlange inspanning van eigen professionele kennis, opgedaan tijdens het werk en nascholing. Op dit moment is elke hulpverlener zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van zijn eigen dossier. Dat blijft ook zo in 2008. Maar dat is niet het principiële discussiepunt. Een nieuwe vraag (EMD/WDH/EPD) om inzage in de elektronische dossiers, vraagt om een nieuw plan van invoering, inclusief de randvoorwaarden. Het op NHG/ADEMD niveau houden van het HIS is noodzakelijk en valuteerbaar. En tot slot is het tonen van gevraagde bedrijfsinformatie, indien noodzakelijk, valuteerbaar. De huisarts was en blijft de eigenaar van zijn eigen EPD.
De grote uitdaging binnen de zorg van de toekomst is het integraal managen van multimorbiditeit. De huisarts lijkt de aangewezen persoon dit te kunnen uitvoeren, zonder dat er een chaos ontstaat. Het met adequate dossiervorming op peil brengen van het EPD en het op peil houden van dit EPD is de eerste stap. Dit wordt datamanagement genoemd. Datamanagement wordt niet beloond terwijl het elke dag arbeid kost. De honoreringssystematiek uit 2006/2007 (‘Vogelaar akkoord’) remt datamanagement af omdat alleen vis à vis kontakten worden beloond. Stichting de Vrije Huisarts wil dat dit voor 2008 anders/beter wordt geregeld. Een normatieve kostenvergoeding op basis van gemeten uren voor geleverd werk, is een goed uitgangspunt. Financiering van investeren in kwaliteit voor EPD hoort, net als bij de praktijkaccreditatie, te worden betaald door de overheid en juist niet door (financieel belanghebbende) verzekeraars.
Stimuleren samenwerkingsverbanden
Per 1 januari 2007 komt er een nieuwe financieringssystematiek voor geïntegreerde eerstelijnszorg geleverd door samenwerkingsverbanden. Tot 2007 was deze (extra) financiering voorbehouden aan gezondheidscentra als compensatie van hun extra kosten in de aanloopfase bij het opzetten van zo’n centrum, bij huisvesting, managementkosten en samenwerkingskosten. Omdat in het nieuwe verzekeringsstelsel elementen als vraagsturing en onderhandelingsruimte (voor verzekeraars en zorgaanbieders!) zijn geïntroduceerd, wordt de bestaande regeling in twee jaar afgebouwd en maakt plaats voor een regeling die aan alle, ook andere, samenwerkingsverbanden ten goede komt.
In november 2006 presenteert de NPCF haar nota over een geïntegreerde eerstelijnszorg vanuit patiëntenperspectief. In de nota staan negen functies van eerstelijnszorg. Dit zijn preventie, generalistische, medische zorg, farmaceutische zorg, beweging en mobiliteit, mondzorg, psychosociale zorg, ouder-kindzorg, zorg aan huis en overige paramedische zorg. De NPCF stelt dat deze zorg het beste dichtbij de bevolking, in één organisatie en onder één dak kan worden ondergebracht. Dit sluit aan op de speerpunten van beleid, zoals de LHV in haar bestuursverklaring "Zorginitiatief 2006-2010" heeft verwoord. In deze verklaring heeft de LHV aangegeven samenwerking met andere partijen, gericht op optimale patiëntenzorg, te bevorderen.
Met inzet van praktijkondersteuners, meer fte doktersassistentes, gespecialiseerde verpleegkundigen, managers/coördinatoren en ICT-voorzieningen, kan de huisarts naast zijn primaire taak, het verlenen van zorg, ook de regierol van de eerstelijnsgezondheidszorg op zich nemen.
De vormgeving van de beoogde samenwerkingsverbanden (vaak bekend als gezondheidscentra, HOED, HAGRO etc.) kan lokaal verschillen. Bij het realiseren van samenwerking tussen eerstelijns zorgaanbieders is het vinden van huisvesting vaak een eerste knelpunt. Partijen zullen overleg voeren met relevante stakeholders (bijv. VNG) om te bezien welke bijdrage zij kunnen leveren aan het oplossen van lokale knelpunten op dit terrein. Zorg in buurt, een vurige wens van patiënten (o.a. NPCF) en de huisartsen (LHV/NHG), zullen lokale overheid en verzekeraars aan moeten zetten, niet alleen achteraf te investeren in "ketens", "pay for performance" en "productfinanciering", maar ook, vooraf, in stenen van het gebouw!
De praktijk leert dat het inschakelen van een betaalde projectleider vaak een succesfactor is bij het realiseren van samenwerkingsverbanden. Huisartsen kunnen good and best practices bij samenwerking verzamelen en publiceren.
Naast de huisvesting is een tweede knelpunt de financiering van samenwerkingsverbanden. Dit probleem bestaat uit twee onderdelen:
- de bestaande normatieve praktijkkostenvergoeding. Bijlage III
Deze basiskostenvergoeding van € 99.410,- voor de normpraktijk zijn de bedragen van de NZA. In 2000 heeft Deloitte & Touche namens de LHV al berekend dat deze vergoeding macro 1 miljard NLG te laag was. Na actievoeren in 2001 konden de huisartsen 250 miljoen (dus 25%) toevoegen aan hun macro kostenbudget. De nota van de overige 75% bleef onbetaald! Extrapolerend naar 2006 en met een logistieke aanpassing naar de eisen van deze tijd betekent dat de kostenvergoeding van de praktijkkosten van de normpraktijk 2006 feitelijk € 199.300,- (koopsituatie) en € 206.900,-(huursituatie) zou moeten zijn. Er is dus alleen voor de vergoeding van de praktijkkosten al een verschil van ruim € 100.000,- per normpraktijk. Dit dus exclusief het inkomensdeel van het tarief.
- de ontbrekende kostenvergoeding van de specifieke elementen van samenwerking.
Niet alleen is de kostenvergoeding te laag, maar deze berekening is ook nog toegespitst op de solopraktijk (nog maar 27% van de huisartsen). Het gaat bij de ontbrekende elementen in de kostenvergoeding om de aanloopkosten van een eenmalig te lopen traject van situatie A (de oude situatie) naar situatie B (de gewenste situatie met samenwerking). Deze kosten liggen op de volgende terreinen: juridisch, financieel, agogisch, bouwtechnisch en begeleiding. Hiervoor is nodig, als bijdrage aan het schrijven van het projectplan, om kortdurend experts in te huren met een gemiddeld tarief van € 500,- per dagdeel. Naast deze specifieke trajecten zijn er nog de kosten van desinvestering. Wat is de optelsom van "de individuele mitsen en maren" van zorgaanbieders om alsnog over te (kunnen/willen) gaan van situatie A naar situatie B.
Als partijen samenwerkende zorgaanbieders willen, werkzaam in gezondheidscentra e.d., dan zal daar een extra budget voor moeten komen. Het huidige budget van de meerkosten van gezondheidscentra staat in de Miljoenennota 2006 e.v. voor € 28,2 miljoen op de balans van het ministerie van VWS. Als voor de jaren 2007 en 2008 in het overgangstraject respectievelijk 90% en 60% van dit bedrag nog toebehoort aan de huidige gezondheidscentra (CTG brief CV 06-30), dan blijft er te weinig over voor de 6851 fte huisartsenpraktijken om te innoveren richting samenwerking.