Hits:
Agenda en bekostigingssystematiek
huisartsenzorg 2008 en volgende jaren
Stichting de Vrije Huisarts wil in het post Vogelaartijdperk 2008 e.v. een aantal wijzigingen doorgevoerd zien met betrekking tot de bekostigingssystematiek huisartsenzorg.

Analyse van De Vrije Huisarts

21 december 2006

Print de pdf versie van dit stuk
gratis NIEUWE Adobe 8.0 PDF-reader
Deze analyse vormt een eenheid met:
Een nieuwe bekostigingsstructuur voor huisartsen,
8 juli 2007
De relatie tussen werkbelasting en tarief bij huisartsen,
27 juni 2007
Onderhandeldoelen bekostigingssystematiek huisartsenzorg 2008 e.v.,
27 juni 2007

Inhoudsopgave [klik hier]
Agenda en bekostigingssystematiek vanaf 2008
De Landelijke Huisartsen Vereniging, het ministerie van VWS en Zorgverzekeraars Nederland zullen voor 2008 e.v. opnieuw afspraken moeten maken over de randvoorwaarden van een nieuwe bekostigingssystematiek huisartsenzorg. Het Vogelaarakkoord van 30 juni 2005 loopt eind 2007 af. Stichting de Vrije Huisarts komt in deze notitie met een voorstel hoe de huisartsenzorg vanaf 2008 te financieren. Wat is er mis gegaan met het Vogelaarakkoord? Wat kunnen we ervan leren? Wat moet anders? Maar ook: wat was goed en wat in de Vogelaar systematiek moeten we voortzetten. Bepaalde tekstdelen uit het Vogelaarakkoord zijn nog net zo actueel als in 2005 en worden ook opnieuw vermeld.
  1. Uitgangspunten
    Ontwikkelingen in de Nederlandse gezondheidszorg leggen in toenemende mate druk op de huisartsen en de andere eerstelijns zorgaanbieders. De toename van het aantal ouderen en chronisch zieken, mogelijkheden van substitutie van zorg van 2e naar 1e lijn, de verwachte grote uitstroom van huisartsen i.v.m. (pre-)pensionering, maar ook de veranderende opvattingen over werktijden en de groeiende behoefte aan deeltijdwerk, maken aanpassingen in de werkuitvoering door huisartsen noodzakelijk. Deze ontwikkelingen stellen partijen voor de uitdaging om innovatieve oplossingen te vinden. Alleen door modernisering en innovatie kan de waardevolle poortwachterfunctie naar de tweede lijn en spilfunctie van de huisartsenzorg in een goed georganiseerde eerste lijn behouden blijven, nu en op lange termijn. Het uitgangspunt hierbij is dat goede huisartsenzorg in het belang is van iedere burger. Met de dubbele vergrijzing hebben we in Nederland een zorgkostenbeheersingsprobleem, waar de huisarts een rol kan spelen. Naast het probleem van de betaalbaarheid speelt ook het gevaar van de versnippering van de zorg. Het categoraal "in de markt zetten" van begeleiding van chronische ziekten (categorale zorgstraten), het oprichten van klachtenpoli’s en de Bijlage I superspecialisering in de tweede lijn introduceert dit gevaar van versnippering én daarmee kans op herhaling van (dure) hulponderzoeken. Zorgintegratie en dossierbeheer, nodig bij de ontwikkeling van het EPD en nodig bij het dagelijkse werk, voorkomen deze versnippering. Zorgintegratie en dossierbeheer zijn bij uitstek taken die de huisarts kan uitvoeren.
    Het macrokader huisartsenzorg 2006 (Bijlage I) vormt het vertrekpunt van de opbouw van een nieuwe bekostigingssystematiek huisartsenzorg 2008 e.v.
  2. Beleidsagenda modernisering en innovatie
    Partijen zijn in het Vogelaarakkoord een beleidsagenda op hoofdlijnen overeengekomen voor de ontwikkeling van de huisartsenzorg in samenhang met de totale eerstelijns zorg. De realisatie van deze beleidsagenda is primair een zaak van lokale afspraken tussen zorgverzekeraars, huisartsen en andere zorgaanbieders in de eerste lijn. De landelijke partijen zullen dit proces stimuleren, faciliteren en monitoren.
    1. Inhoudelijke afspraken modernisering en innovatie
      Samenwerking van huisartsen (onderling) en met andere eerstelijns zorgaanbieders is van groot belang om de veranderende zorgvraag te kunnen beantwoorden. In het Vogelaarakkoord [pdf] (pagina 2) van 13 juni 2005 is vastgesteld dat de afspraken over modernisering en innovatie betrekking moeten hebben op:
      • het stimuleren van samenwerkingsverbanden
      • een verdere programmatische aanpak van chronische aandoeningen
      • substitutie van zorg van tweede naar eerste lijn
      • kwaliteitsbevordering van de huisartsenzorg
      Bij de start van de zorgverzekeringswet 2006 hebben regionale huisartsen duidelijke M&I afspraken gemaakt met hun preferente zorgverzekeraars. Er is voor 2006 op veel plaatsen een goede M&I start gemaakt. Stichting de Vrije Huisarts ziet alleen maar extra redenen om voor 2007/2008 op dezelfde weg door te gaan. Er is bij de uitwerking van de genoemde modernisering en innovatie nog een grote slag te maken. Wij voelen ons gesteund door de brief van de minister (CZ/EZ/2726175) waarin hij de NZa een aanwijzing geeft over innovatieve zorg. De minister heeft het erover dat innovatie toch voornamelijk proberen en doen is. "Ik wil dat het veld aan de slag kan", zo zegt hij in deze brief. Ook stelt de minister dat de module een vrij tarief en een eenvoudige procedure kent met betrekking tot het omschrijven van de prestatie. Mits de M&I activiteiten evidence-based zijn en voldoen aan bovenstaande criteria, kunnen deze activiteiten in een versneld tempo onder de hoede van de eerste lijn, c.q. de huisartsenzorg worden gebracht. Hiervoor is snelle Bijlage II en verdere uitbreiding van de M&I activiteiten op haar plaats. Daarom willen wij geen plafond in de financiering van dit M&I budget.
      Bij het opnemen van de Modernisering en Innovatie (M&I) module in het huisartsencontract spelen wens en noodzaak van een aantal landelijke ontwikkelingen een belangrijke rol. Bijlage II
      Al deze in bijlage II ontwikkelingen kosten tijd, energie, middelen en geld. Dat betekent dat de randvoorwaarden die hierbij horen vooraf en duurzaam geregeld moeten zijn. Stichting de Vrije Huisarts zit op de lijn dat indien verzekeraars bereid zijn met huisartsen vast te stellen dat de huisarts ondernemer is, er ook ruimte moet komen om te ondernemen en te innoveren. Huisartsen willen investeren, maar investeren gaat niet samen met eenjarige contracten zonder uitzicht hoe het na afloop van dat ene jaar verder gaat.
      Samenwerkingsverbanden van huisartsen (onderling) en andere eerstelijns zorgaanbieders (fysiotherapeuten, verloskundigen, apothekers, GGZ, maatschappelijk werk etc.), al dan niet onder een dak, zijn van belang voor kwalitatief goede zorg aan patiënten, dicht in de buurt. Deze zorg is beschikbaar voor alle Nederlanders. De poortwachter- en spilfunctie van de huisarts, vastgelegd in de Zorgverzekeringswet, kan in een dergelijk samenwerkingsverband optimaal worden vormgegeven. De randvoorwaarden, in de zin van de noodzakelijke middelen voor arbeid en organisatie voor een gezondere praktijkvoering, moeten worden aangepast om bij deze samenwerking de regierol van de huisarts in de eerstelijnsgezondheidszorg te versterken.
      Afspraken over het voorschrijfbeleid van medicijnen tussen huisartsen en zorgverzekeraars kunnen alleen onderdeel vormen van het af te sluiten contract, als de professionele autonomie van de huisarts wordt/blijft gewaarborgd. De huisarts die enerzijds individueel verantwoordelijk is voor het schrijven van een individueel recept, is anderzijds (dan) ook de enige die bepaalt welk recept er wordt voorgeschreven.
      Het NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap) heeft een systeem voor accreditatie van huisartsen ontwikkeld. Accreditatie is begonnen als intercollegiaal toetsingsinstrument en geldt als keurmerk voor een professionele praktijkvoering. Huisartsen moeten worden gestimuleerd hier aan deel te nemen. De NHG kosten zijn anno 2006 voor drie jaar € 5750,- per normpraktijk, exclusief BTW. Daarnaast geldt een tijdsinvestering van ruim 84 werkuren per 3 jaar voor de deelnemende huisarts en/of zijn medewerkers. Financiering van investeren in kwaliteit hoort te worden betaald door de overheid en juist niet door (financieel belanghebbende) verzekeraars.
      De ontwikkeling van het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD). Het EPD kan een bijdrage leveren aan kwaliteit van zorg en goed op elkaar afgestemde zorg, zoals bij LESA’s en LTA’s. De noodzaak tot een goed centraal beheer van het EPD staat ook niet ter discussie. De voorwaarden waaronder de huisarts dit beheer op zich zal kunnen nemen, zijn bekend. Stichting de Vrije Huisarts stelt helder dat de huisarts niet om niets zijn bedrijfsgegevens overdraagt. Het eigen HIS van de huisarts heeft een belangrijke intrinsieke waarde, financieel en niet financieel, en weerspiegelt jarenlange inspanning van eigen professionele kennis, opgedaan tijdens het werk en nascholing. Op dit moment is elke hulpverlener zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van zijn eigen dossier. Dat blijft ook zo in 2008. Maar dat is niet het principiële discussiepunt. Een nieuwe vraag (EMD/WDH/EPD) om inzage in de elektronische dossiers, vraagt om een nieuw plan van invoering, inclusief de randvoorwaarden. Het op NHG/ADEMD niveau houden van het HIS is noodzakelijk en valuteerbaar. En tot slot is het tonen van gevraagde bedrijfsinformatie, indien noodzakelijk, valuteerbaar. De huisarts was en blijft de eigenaar van zijn eigen EPD. De grote uitdaging binnen de zorg van de toekomst is het integraal managen van multimorbiditeit. De huisarts lijkt de aangewezen persoon dit te kunnen uitvoeren, zonder dat er een chaos ontstaat. Het met adequate dossiervorming op peil brengen van het EPD en het op peil houden van dit EPD is de eerste stap. Dit wordt datamanagement genoemd. Datamanagement wordt niet beloond terwijl het elke dag arbeid kost. De honoreringssystematiek uit 2006/2007 (‘Vogelaar akkoord’) remt datamanagement af omdat alleen vis à vis kontakten worden beloond. Stichting de Vrije Huisarts wil dat dit voor 2008 anders/beter wordt geregeld. Een normatieve kostenvergoeding op basis van gemeten uren voor geleverd werk, is een goed uitgangspunt. Financiering van investeren in kwaliteit voor EPD hoort, net als bij de praktijkaccreditatie, te worden betaald door de overheid en juist niet door (financieel belanghebbende) verzekeraars.
    2. Stimuleren samenwerkingsverbanden
      Per 1 januari 2007 komt er een nieuwe financieringssystematiek voor geïntegreerde eerstelijnszorg geleverd door samenwerkingsverbanden. Tot 2007 was deze (extra) financiering voorbehouden aan gezondheidscentra als compensatie van hun extra kosten in de aanloopfase bij het opzetten van zo’n centrum, bij huisvesting, managementkosten en samenwerkingskosten. Omdat in het nieuwe verzekeringsstelsel elementen als vraagsturing en onderhandelingsruimte (voor verzekeraars en zorgaanbieders!) zijn geïntroduceerd, wordt de bestaande regeling in twee jaar afgebouwd en maakt plaats voor een regeling die aan alle, ook andere, samenwerkingsverbanden ten goede komt.
      In november 2006 presenteert de NPCF haar nota over een geïntegreerde eerstelijnszorg vanuit patiëntenperspectief. In de nota staan negen functies van eerstelijnszorg. Dit zijn preventie, generalistische, medische zorg, farmaceutische zorg, beweging en mobiliteit, mondzorg, psychosociale zorg, ouder-kindzorg, zorg aan huis en overige paramedische zorg. De NPCF stelt dat deze zorg het beste dichtbij de bevolking, in één organisatie en onder één dak kan worden ondergebracht. Dit sluit aan op de speerpunten van beleid, zoals de LHV in haar bestuursverklaring "Zorginitiatief 2006-2010" heeft verwoord. In deze verklaring heeft de LHV aangegeven samenwerking met andere partijen, gericht op optimale patiëntenzorg, te bevorderen. Met inzet van praktijkondersteuners, meer fte doktersassistentes, gespecialiseerde verpleegkundigen, managers/coördinatoren en ICT-voorzieningen, kan de huisarts naast zijn primaire taak, het verlenen van zorg, ook de regierol van de eerstelijnsgezondheidszorg op zich nemen.
      De vormgeving van de beoogde samenwerkingsverbanden (vaak bekend als gezondheidscentra, HOED, HAGRO etc.) kan lokaal verschillen. Bij het realiseren van samenwerking tussen eerstelijns zorgaanbieders is het vinden van huisvesting vaak een eerste knelpunt. Partijen zullen overleg voeren met relevante stakeholders (bijv. VNG) om te bezien welke bijdrage zij kunnen leveren aan het oplossen van lokale knelpunten op dit terrein. Zorg in buurt, een vurige wens van patiënten (o.a. NPCF) en de huisartsen (LHV/NHG), zullen lokale overheid en verzekeraars aan moeten zetten, niet alleen achteraf te investeren in "ketens", "pay for performance" en "productfinanciering", maar ook, vooraf, in stenen van het gebouw!
      De praktijk leert dat het inschakelen van een betaalde projectleider vaak een succesfactor is bij het realiseren van samenwerkingsverbanden. Huisartsen kunnen good and best practices bij samenwerking verzamelen en publiceren.
      Bijlage III
      Naast de huisvesting is een tweede knelpunt de financiering van samenwerkingsverbanden. Dit probleem bestaat uit twee onderdelen:
      1. de bestaande normatieve praktijkkostenvergoeding. Bijlage III
        Deze basiskostenvergoeding van € 99.410,- voor de normpraktijk zijn de bedragen van de NZA. In 2000 heeft Deloitte & Touche namens de LHV al berekend dat deze vergoeding macro 1 miljard NLG te laag was. Na actievoeren in 2001 konden de huisartsen 250 miljoen (dus 25%) toevoegen aan hun macro kostenbudget. De nota van de overige 75% bleef onbetaald! Extrapolerend naar 2006 en met een logistieke aanpassing naar de eisen van deze tijd betekent dat de kostenvergoeding van de praktijkkosten van de normpraktijk 2006 feitelijk € 199.300,- (koopsituatie) en € 206.900,-(huursituatie) zou moeten zijn. Er is dus alleen voor de vergoeding van de praktijkkosten al een verschil van ruim € 100.000,- per normpraktijk. Dit dus exclusief het inkomensdeel van het tarief.
      2. de ontbrekende kostenvergoeding van de specifieke elementen van samenwerking.
        Niet alleen is de kostenvergoeding te laag, maar deze berekening is ook nog toegespitst op de solopraktijk (nog maar 27% van de huisartsen). Het gaat bij de ontbrekende elementen in de kostenvergoeding om de aanloopkosten van een eenmalig te lopen traject van situatie A (de oude situatie) naar situatie B (de gewenste situatie met samenwerking). Deze kosten liggen op de volgende terreinen: juridisch, financieel, agogisch, bouwtechnisch en begeleiding. Hiervoor is nodig, als bijdrage aan het schrijven van het projectplan, om kortdurend experts in te huren met een gemiddeld tarief van € 500,- per dagdeel. Naast deze specifieke trajecten zijn er nog de kosten van desinvestering. Wat is de optelsom van "de individuele mitsen en maren" van zorgaanbieders om alsnog over te (kunnen/willen) gaan van situatie A naar situatie B.
        Als partijen samenwerkende zorgaanbieders willen, werkzaam in gezondheidscentra e.d., dan zal daar een extra budget voor moeten komen. Het huidige budget van de meerkosten van gezondheidscentra staat in de Miljoenennota 2006 e.v. voor € 28,2 miljoen op de balans van het ministerie van VWS. Als voor de jaren 2007 en 2008 in het overgangstraject respectievelijk 90% en 60% van dit bedrag nog toebehoort aan de huidige gezondheidscentra (CTG brief CV 06-30), dan blijft er te weinig over voor de 6851 fte huisartsenpraktijken om te innoveren richting samenwerking.
    3. Ambitieniveau (LHV/VWS/ZN)
      Partijen spannen zich voor 2008 in om meer samenwerking, samenhang en budget binnen de eerstelijnszorg te realiseren. De vormgeving van de samenwerking kan lokaal verschillen, maar de uitgangspunten zijn helder. Het gaat om beschikbare, bereikbare en deskundige huisartsenzorg, in nauwe samenhang met andere zorgaanbieders. De patiënt ontvangt een breed aanbod van zorg, dicht bij huis en zoveel mogelijk onder regie van de eigen huisarts. Het aantal samenwerkingsverbanden zal worden uitgebreid.
  3. Bekostigingssystematiek huisartsenzorg
    1. Algemeen
      Door de invoering van de nieuwe zorgverzekeringswet werd het per 2006 noodzakelijk dat er een nieuw bekostigingssystematiek voor huisartsen overeen werd gekomen, dat deels, net als elders in de zorg, was gebaseerd op een bekostigingssysteem met verrichtingen.
      Partijen kozen per 1-1-2006 voor een gemengd systeem dat in hoofdlijnen bestaat uit drie elementen:
      1. een regulier consulttarief van € 9 per 1-1-2006. Hoe verder in 2008?
        Omdat er geen ervaringscijfers voorhanden zijn over het aantal consulten in het nieuwe bekostigingssysteem zijn partijen in juni 2005 de aanname overeengekomen van 8296 consulten voor een normpraktijk met 2350 patiënten. Als bij monitoring van het aantal consulten dat het aantal consulten hoger of lager is dan 8296, dan zal het tarief later navenant worden aangepast, zo vermeldt het Vogelaar akkoord. Op 1 december 2006 spreken partijen af dat de tarieven in 2007 voorlopig niet worden aangepast. Er zou sprake zijn van een vermeende overschrijding. Echter zonder een deugdelijk rapport, onafhankelijk opgesteld, naar de redenen van wijzigen van het aantal consulten, kunnen geen conclusies worden getrokken. Binnen de afspraak ‘loon naar werken’ een principe dat door de minister expliciet werd genoemd als een der pijlers van het nieuwe zorgstelsel, betekent meerwerk in 2006 dat er daadwerkelijk meer gewerkt is en er (dus) ook aanspraak mag zijn op meer loon.
        De enige logische consequentie is dat het macrobedrag huisartsenzorg ten behoeve van verrichtingen (€ 508,4 miljoen) dan evenredig met dit meerwerk wordt verhoogd.
        In de financieringsstructuur 2008, zoals wij die voorstaan, komen termen als ‘budgetneutraliteit’ en ‘macroneutraliteit’ niet meer voor. Een tariefformule huisartsenzorg met de werkbelasting in de noemer van de breuk, evenmin!
        Als VWS en/of verzekeraars in de loop van 2007 alsnog zonder deugdelijk onderzoek zouden aansturen op een tariefdaling, dan is er maar een antwoord mogelijk: onmiddellijke reparatie van deze schade voor het tarief 2008. Dit naast indexering (CEP/OVA/inkomen) voor de jaren 2007 en 2008. En ook naast het gevraagde extra budget voor ondersteuning en samenwerking.
        Wij willen de monitorgegevens dus ook gebruiken voor vaststelling van het consulttarief 2008. Maar niet om te korten, maar om het macrobudget bij aangetoond meerwerk te laten meegroeien, volgens de formule, "geld volgt de zorg".
      2. een inschrijftarief per ingeschreven patiënt per 1-1-2006 van € 52. Hoe verder in 2008?
        Per 1 januari 2006 rekenen de huisartsen een inschrijfvergoeding voor alle bij hen op naam ingeschreven patiënten. De afspraak was dat deze declaraties bij zorgverzekeraars worden ingediend en dat deze declaraties zoals gebruikelijk binnen 30 dagen worden betaald. Het inschrijftarief wordt periodiek betaald, met dien verstande dat de eerste termijn binnen een termijn van 21 dagen (LHV betalingsvoorwaarden 2007) na declaratie betaald wordt. Bij monitoring van Vektiscijfers na drie kwartalen in 2006 zien we vooralsnog een onderschrijding van € 94,- miljoen van de door verzekeraars (nog?) niet uitbetaald inschrijftarief. Wij willen dat een en ander nauwkeurig wordt vervolgd. Elke Nederlander heeft voor een inschrijftarief een huisarts. Als de macrocijfers van "Vogelaar" uitgaan van de zorg voor 16,1 miljoen Nederlanders, dan wordt per jaar 16,1 miljoen maal het inschrijftarief betaald.
        Gezien de ervaringen uit 2006 willen wij voor het inschrijftarief 2008 een compensatie voor de ontstane administratieve belasting en geleden risico’s.
        • per maand is de huisarts in 2006 nu 38 uur tijd kwijt aan het declaratieproces, terwijl dat voorheen in 2005 15 uur was. Op jaarbasis zijn dit 276 meeruren. Incidenteel ter voorbereiding op het nieuwe systeem zijn om deze reden de macromeerkosten voor de huisarts geschat op € 71 miljoen. Structureel zijn de meerkosten van het declaratieverkeer geschat op meer dan € 130 miljoen per jaar. Bij de totstandkoming van "Vogelaar" is door VWS en ZN in het kader van extra geld voor administratie en digitale declaratie respectievelijk slechts 10 en 15 miljoen beschikbaar gesteld. Achteraf is dit een verkeerde taxatie geweest, die compensatie nu achteraf noodzakelijk maakt.
        • Drie tot vijf procent van terechte declaraties wordt niet betaald. Verder kan zorg aan illegalen, onverzekerden, daklozen en gemoedsbezwaarden niet altijd in rekening worden gebracht. Dit leidt tot een omzetderving van 90 miljoen per jaar.
        • Ondernemersrisico. Het jaar 2006 heeft bij uitstek geleerd dat met intrede van de Zorgverzekeringswet en de nieuwe financieringsstructuur de huisarts (wel) een ondernemersrisico heeft. Geschat op 5% van (508+832 miljoen). Ofwel: € 67 miljoen op jaarbasis.
        Macro inschrijftarief 2006832 miljoen
        + compensatie administratie/declaratie [71 + 130 =]201 miljoen
        + compensatie problemen bij declaraties/90 miljoen
        + compensatie ondernemersrisico67 miljoen
         ------ +
        Totaal budget inschrijftarief 2008 excl. indexering1190 miljoen
        6851 fte normpraktijken. Per normpraktijk€ 173.697,00
        Inschrijftarief 2008 excl. indexering 2007/2008€ 73,91
        Via de op te richten Stichting Inschrijving op Naam kan zowel de inschrijving van elke Nederlander bij een huisarts, als wel het betalingsverkeer van het bijbehorende inschrijftarief goed worden geregeld. In deze databank komt een koppeling naar de huisarts en een koppeling naar de verzekeraar. De verzekeraar betaalt aan het betalingskantoor, het betalingskantoor betaalt de huisarts. Voor het welslagen van een ION database is een permanente actieve participatie van verzekeraars en VWS een absolute voorwaarde. Drie partijen (overheid, verzekeraar, huisarts) hebben belang bij een goed werkende St. ION. Het merendeel van de jaarlijkse kosten wordt betaald door verzekeraars en overheid.
      3. drie modules met aanvullende vergoedingen:
        • Module POH (praktijkondersteuning huisartsen)vergoedingen (het uitgangspunt was ca. € 29 miljoen, plus € 20 miljoen additioneel per jaar). Eind 2006 liggen de huisartsen goed op koers. Inmiddels heeft 70% van de huisartsen een vorm van praktijkondersteuning. De geschatte macrokosten hiervan bedragen voor 2006 bijna € 76 miljoen. Moderne praktijkvoering zonder ondersteuning is een illusie. Uitbreiding is zeer wenselijk en financieel ook mogelijk.
          Er zit geen plafond aan de POH financiering.
        • Module populatiegebonden vergoedingen (ca. € 25 miljoen); Dit bedrag kan in 2008 zo blijven, mits de bedragen horend bij 2008 ook worden geïndexeerd voor 2007 en 2008.
        • Module modernisering en innovatie (M&I) Deze module bestond bij aanvang van 2006 uit minimaal € 50 miljoen (voormalige RIZ-budgetten), € 25 miljoen budget
          Modernisering en Innovatie (waarvan € 12 miljoen incidenteel in 2006) en een budget als gevolg van substitutie van de tweede naar de eerste lijn. Nu de substitutie goed op gang komt, willen wij een verdere uitbreiding van M&I activiteiten. Als de verzekeraars voor 2008 meer risicodragend worden voor de zorgkosten in de tweede lijn, komt substitutie van zorg van tweede naar eerste lijn vanzelf goed op gang. Dit komt niet alleen de betaalbaarheid van de zorg ten goede, maar ook verkleint substitutie het risico van zorgversnippering.
    2. Module Praktijkondersteuning huisartsen (POH)
      Vanaf 2006 is € 49 miljoen geraamd voor POH. Dit was het bestaande budget en € 20 miljoen additioneel toegevoegd aan het huisartsenkader. Het betreft een open-einde regeling, hetgeen impliceert dat wanneer meer huisartsen een aanvraag doen die voldoet aan de gestelde criteria, zij ook voor POH vergoed worden. Zoals vermeld, wordt de POH uitgaven eind 2006 geschat op bijna € 76 miljoen.
      POH wordt toegekend op grond van bekende voorwaarden (dit impliceert dat de verdeling van middelen uitkomt op 2/3 als opslag op het inschrijftarief, 1/3 als consult). Deze verhouding willen wij voor 2008 wijzigen. Uit onderzoek komt namelijk naar voren dat de POH consulten te weinig opbrengen om 33% van de kosten af te dekken.
      Nu blijkt dat de gemaakte veronderstellingen, met betrekking tot het inverdieneffect van een praktijkondersteuner, niet kloppen (Vektis cijfers: 3 kwartalen 2006), zal de berekening en verdeling 2/3 en 1/3 moeten worden aangepast.
      Uitkering van de module POH is in 2008 ook mogelijk indien er geen contract is tussen zorgverzekeraar en huisarts. Wij vinden het niet meer van deze tijd dat het hebben van een contract als voorwaarde wordt gesteld voor het kunnen aanwenden van modules (POH, M&I, populatie). De huisarts moet onderhandelen, moet proberen met de verzekeraar tot overeenstemming te komen, maar moet ook het recht hebben uiteindelijk "nee" te zeggen tegen opgedrongen voorwaarden van de verzekeraar om huisartsenzorg te mogen leveren. Vrijheid, blijheid!
    3. Module Populatiegebonden vergoedingen
      Ook voor 2008 blijft € 25 miljoen exclusief indexering beschikbaar voor de module populatiegebonden vergoedingen. Deze module biedt huisartsen die een praktijk hebben in een achterstandswijk en/of met veel oudere patiënten, waar van bekend is dat die meer dan gemiddeld zorg consumeren c.q. waar per consult meer tijd mee gemoeid is van een toeslag te voorzien. De omvang van het beschikbare budget is gerelateerd aan de omvang van de volumegroei in het huisartsenkader, waarin rekening wordt gehouden met demografische ontwikkelingen en vergrijzing.
      De module populatiegebonden vergoedingen is opgebouwd uit twee componenten. De component achterstandswijken wordt berekend volgens de huidige postcodeverdeling binnen het huidige macrobedrag. In de component ouderen (65+) wordt een variatie in leeftijd aangebracht, zodat de grotere intensiteit van de dienstverlening aan mensen van 75 jaar en ouder beter gecompenseerd kan worden. De uitwerking hiervan vindt in CTG-verband (College Tarieven Gezondheidszorg) plaats op basis van NIVEL-cijfers.
      De module wordt verrekend als een statistische opslag op het inschrijftarief conform de huidige systematiek.
    4. Module Modernisering en Innovatie ten behoeve van decentrale afspraken
      Volgens CVZ (brief dd. 31.03.05, kenmerk PM&S/25009848, mw.Vermarke) wordt ruim 50% van de RIZ-uitgaven besteed aan de eerste lijn.
      RIZ-uitgaven als % van het RIZ-budget: Bron: CVZorgcijfers 2000-2005, blz.40
      CVZ 19981999200020012002200320042005
      Maximum budget RIZ181,5184,9228,5257,1331,8599,7623,2885,6
      Gerealiseerde uitgaven2,26,3 8,319,344,7 56,871,3101,7
      In 2005 geven verzekeraars bijna € 102 miljoen uit aan zorgprojecten in de initiatiefruimte. Dat is slechts 12% van het maximale RIZ budget van € 885,6 miljoen..
      Per 1 januari 2006 is de wettelijke grondslag voor de Regeling Initiatiefruimte komen te vervallen. Echter de nieuwe Zorgverzekeringswet biedt de zorgverzekeraars meer mogelijkheden om vernieuwende zorgprojecten op te zetten. Het CVZ stelt in bovenstaand rapport, blz. 40: "zolang een zorgverzekeraar aan de zorgplicht voldoet, heeft hij speelruimte om afspraken te maken over nieuwe zorgvormen".
      Er lijkt er voor 2008 e.v. voldoende financiële ruimte voor uitbreiding van M&I activiteiten en M&I verrichtingen. De inzet van M&I middelen zouden wij graag transparant gepubliceerd willen zien in de vakbladen, gerubriceerd per M&I activiteit en per verzekeraar.
      Bij aanvang in 2006 was ten minste ca. € 75 miljoen beschikbaar voor het budget modernisering en innovatie. Wij als Stichting de Vrije Huisarts willen voor de komende jaren een uitbreiding van M&I activiteiten. In november 2006 hebben wij dit de NZA en partijen met onderbouwing laten weten. Voor 2008 achten wij een contract voor M&I met de verzekeraar wenselijk, maar niet noodzakelijk.
      Vrijkomende middelen door overheveling van zorg van de tweede lijn naar de eerste lijn kunnen worden ingezet in het kader van M&I activiteiten. Vrijkomende middelen ten gevolge van afspraken tussen zorgverzekeraars en huisartsen over het voorschrijfbeleid met betrekking tot medicijnen kunnen ook voor M&I worden ingezet. Absolute voorwaarde is wel dat het voorschrijfbeleid getoetst wordt op evidence en dat de huisarts, die zelf verantwoordelijk is voor het schrijven van een recept, ook in individuele gevallen zelf af mag wijken van het voorschrijfbeleid, zonder dat dit op enigerlei wijze (financiële) consequenties heeft voor de huisarts en de betrokken patiënt.
      Zorgverzekeraars en huisartsen kunnen op lokaal en regionaal niveau afspraken maken over de besteding van de module modernisering en innovatie. Voorwaarde voor toekenning is dat de te financieren initiatieven passen binnen de lokale en/of regionale beleidsagenda ten aanzien van modernisering en innovatie van huisartsenzorg. Het beschikbare budget wordt het liefst ingezet voor het realiseren van een samen (gemeente, RPCP, hagro, verzekeraar) overeengekomen beleidsagenda.
    5. Passantentarief
      Het huidige passantentarief in 2006 van € 24,80 wordt voor 2008 geïndexeerd. Er was voor 2006 een budget beschikbaar van € 23,5 miljoen, afkomstig uit de bestaande € 17,5 miljoen ziekenfondsmiddelen en € 6 miljoen particuliere middelen. Voor patiënten, woonachtig in dezelfde woonplaats als de vestigingsgemeente van de huisarts, kan vanaf 2008 wel een passantentarief in rekening worden gebracht. Het passantentarief is bedoeld voor incidentele en acute zorg. Dit betekent dan ook, als een niet ingeschreven patiënt medische hulp nodig heeft bij niet de eigen huisarts, deze huisarts het passantentarief mag rekenen. Of deze patiënt in of buiten de vestigingsgemeente woont, doet niet ter zake. Voor declaratie van een passantentarief is het in 2008 niet langer nodig dat huisartsen beschikken over een contract met hun dominante zorgverzekeraar.
      Dat partijen onbedoeld en onheus gebruik van het passantentarief streng zouden aanpakken in 2006, zoals de tekst in het Vogelaarakkoord laat zien, is voorlopig niet aan de orde. Van het beschikbare budget voor passanttarieven van 23,5 miljoen wordt voor 2006 naar verwachting maar 7 miljoen uitbetaald! De vrees dat huisartsen misbruik zouden maken van het passantentarief lijkt dus koudwatervrees.
    6. Totaal beschikbaar/noodzakelijk financieel kader
      Het nieuwe financiële kader voor 2008 zal bestaan uit de volgende elementen:
      • 1190 miljoen ten behoeve van inschrijftarieven, exclusief jaarlijkse indexering Bijlage IV
      • voor consulten: 513 miljoen naast herijking van (te vaak uitgestelde!) kosten/inkomensvergoeding, evenals investeringsafspraken ten behoeve van samenwerking, al dan niet onder een dak. Bijlage IV Het wordt tijd voor de herijkingen van inkomen (Hay: augustus 2001) en kostenvergoedingen (Deloitte & Touche: juni 2000). Van uitstel komt geen afstel. De kosten van samenwerkings- en moderniseringsprojecten kunnen op "offertebasis" worden vergoed.
      • M&I volgens afgesproken criteria, maar zonder plafond in het kader
      • POH volgens afgesproken criteria, maar zonder plafond in het kader
      • Populatiemodule blijft 25 miljoen, maar wordt wel geïndexeerd voor 2007 en 2008
      • Passantentarieven: 23,5 miljoen uit 2006 wordt voor 2008 geïndexeerd. Het niet bestede geld wordt ingezet voor M&I.
      • De extra vergoeding voor administratie/declaratie, respectievelijk in "Vogelaar" geoormerkt als 10 en 15 miljoen, is door ons (DVH) meegenomen in het inschrijftarief voor 2008. En hoeft niet apart te worden benoemd.
      • De voorziene nominale geoormerkte indexatie van 2007, namelijk in het Vogelaarakkoord vastgelegd en begroot op 44 mln, wordt ‘meegenomen’ in de tarifering voor 2008.
      • Budget van overheid voor praktijkaccreditatie
      • Budget van overheid voor ontwikkeling van EPD
  4. Randvoorwaarden nieuwe bekostigingssystematiek
    1. Vereenvoudigde contractering
      Verzekeraars en huisartsen stellen zich ten doel tot gelijkwaardige posities bij contractbesprekingen te komen en om de contractering met zorgverzekeraars zo eenvoudig mogelijk te organiseren, zodat de administratieve lasten zo beperkt mogelijk blijven. Het hebben van een contract is geen doel, maar het middel om afspraken over samenwerking tussen huisarts en verzekering uit te werken en na te komen.
      Uitgangspunt blijft dat onderhandeld wordt met de dominante zorgverzekeraar in een regio. Het contract dat op basis daarvan tot stand komt, wordt door de huisarts vervolgens digitaal aangeboden aan de andere zorgverzekeraars. ZN staat garant dat ‘verre’ zorgverzekeraars op basis hiervan zich aansluiten bij ditzelfde contract.
      Daar waar grote verzekeraars het afgelopen jaar met instemming van de NMa, de Zorgautoriteit en het ministerie van Economische Zaken fuseren, daarmee ligt het in de rede dat voor 2007 en 2008 ook collectiviteiten van huisartsen onderhandelen met de dominante zorgverzekeraar.
      Voor 2008 wordt de verplichting afgeschaft dat de huisarts alleen met een contract in aanmerking komt voor de modules. Wij willen wel degelijk samen met de dominante verzekeraar onderhandelen en proberen te komen tot contracten. Ten aanzien van M&I geven wij zelfs de voorkeur aan juist meerjarige contracten. Een vrijwillig getekend contract heeft de voorkeur, maar kan na 2007 nooit (meer) gekoppeld zijn aan het wel of niet inzetten van modules.
      Wij komen tot deze conclusie na de bevindingen van bureau Noordam & de Vries (november 2005) over contractering door verzekeraars van huisartsenzorg, waarbij 64% van de huisartsen zegt ontevreden te zijn over deze contractering en 50% het zelfs ervaart als zinloos!
      Ten behoeve van de zorgintegratie en het voorkomen van zorgversnippering kunnen de modules alleen worden uitgekeerd indien, naast de modules, huisartsgeneeskundige basiszorg in haar volle omvang wordt geleverd.
      De Zorgautoriteit toetst als scheidsrechter continue of er in het kader van de WMG eenzijdig opgelegde of onredelijke contractvoorwaarden worden voorgesteld. Indien er sprake is van een machtspositie (van een verzekeraar of aanbieder), en deze machtspositie wordt gebruikt, dan kan de NMa optreden.
    2. Beheersing administratieve lasten
      Partijen hadden in het Vogelaarakkoord aangegeven de administratieve lasten, die gepaard gingen met de introductie van het nieuwe bekostigingssysteem (contracten, ICT) zo goed mogelijk te beheersen. Hiervan is niets terecht gekomen. Uit onderzoek van de LHV i.s.m. Huisarts Vandaag (juni 2006) blijkt dat huisartsen 19 werkdagen hebben moeten vrijmaken voor de aanpassing van hun administratie aan de nieuwe zorgverzekeringswet. De afhandeling van het declaratieverkeer kost een praktijk nu gemiddeld 38 uur per maand, terwijl dat in 205 beperkt bleef tot 15 uur per maand. Volgens 75% van de huisartsen heeft de huidige administratieve belasting een negatieve invloed op de kwaliteit van de huisartsenzorg. De huisartsen zien voorlopig ook nog weinig verlichting van de administratieve lastendruk.
      De digitalisering van het declaratieverkeer heeft ook geen bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van deze administratieve lasten. Er werd niet onderling verrekend, de retourinformatie kwam te laat en was veelal niet inleesbaar. Vecozo was aanvankelijk overbelast en liet foutieve uzovi codes zien. Het contract met de preferente verzekeraar werd niet gevolgd. De betalingstermijn werd frequent overschreden. Tot slot dachten 1500 huisartsen beter af te zijn door de afhandeling van het declaratieverkeer in handen te geven van Fa-med.
      2006 was al met al het toppunt van administratieve en bureaucratische overlast. Mocht in 2007 dezelfde problemen ontstaan, dan willen wij voor 2008 voorstellen rechtstreeks met de klanten (zelf) te gaan afrekenen. Zeker als er jaarlijks miljoenen Nederlanders blijven switchen en de overheid en verzekeraars weigeren de tijdspanne van switchen te verkorten en te verplaatsen naar de eerste 2 maanden van het laatste kwartaal. De schadelast nemen wij mee alvast mee bij het berekenen van het inschrijftarief 2008.
    3. Debiteuren-, onverzekerden- en ondernemersrisico’s
      Als uiteindelijk van de rechtmatige declaraties door de verzekeraars ook 100% wordt betaald, heeft de huisarts uiteindelijk geen debiteurenrisico. Maar…debiteurenrisico is het risico dat de debiteur niet aan zijn verplichtingen kan of wil voldoen. Bij COV wordt namelijk 2-3% niet gevonden en 3-5% van terechte declaraties wordt niet betaald, ondanks de inspanningen van de door de minister ingestelde veegploeg.
      Ten aanzien van de last van onverzekerden geldt het simpele principe: als verzekeraars meer last krijgen van onverzekerden, krijgen huisartsen dat ook. Het geschatte aantal onverzekerden ligt rond de 30 per normpraktijk. Er is een (extra) ondernemersrisico ontstaan door de Zorgverzekeringswet en de nieuwe financieringsstructuur.
      Een dreigende tariefkorting, het niet volgen van het contract door de verre verzekeraar, het toelaten van nieuwe zorgaanbieders, van 2e lijns klachtenpoli’s voor 1elijns klachten etc . De opgetreden en aangetoonde effecten worden meegenomen is in prijsstelling van het inschrijftarief van 2008.
    4. Apotheekhoudende huisartsen
      Apotheekhoudende huisartsen kunnen een belangrijke rol spelen voor zowel de continuïteit van huisartsenzorg als die van de geneesmiddelenvoorziening. Niet alleen in dun bevolkte gebieden. Wij pleiten voor experimenten waar ook de farmacie valt onder de eerstelijns regie van de huisarts.
    5. Herijking bekostigingssysteem
      Het bekostigingssysteem van de huisarts is in 2000 (D&T: kosten) en in 2001 (Hay: inkomen) al integraal geëvalueerd, maar nooit aangepast, anders dan door acties! Kan het ook anders en op een normale manier, vragen wij ons zo langzamerhand af. Voor 2008 willen wij resultaat zien van die herijkingen in de consulttarieven!.

Tot slot
Wij hopen dat de nieuwe financieringsstructuur 2008 een impuls zal geven aan het bieden van een kwalitatief goede en gemoderniseerde huisartsenzorg in samenhang met een goed georganiseerde eerstelijnszorg. Stichting de Vrije Huisarts vindt dat de zorgcapaciteit van de eerste lijn moet worden uitgebreid. Geen zorg gericht op ‘ziekte’, maar gericht op de ‘zieke’. De huisarts die de basiszorg verleent is ook de meest geschikte arts om de aanvullende en de te substitueren M&I zorg te verlenen, dan wel te regisseren. Deze zorg is bij de huisarts veiliger en kwalitatief goed. Dat een kwalitatief sterke eerste lijnszorg beter is voor de patiënten, was ook al eerder de conclusie van de Gezondheidsraad. Huisartsenzorg is goedkoop met een hoog rendement van de zorgeuro. Immers voor 3,6% van het budget handelen zij meer dan 90% van de zorgvragen af. Tot slot, de Nederlander zelf wil (TNS/NIPO 2006) de huisarts als regisseur van zijn zorg.
Aan de slag!


Bijlage I:

Vogelaarakkoord 2006
macrokader huisartsenzorg
€ (miljoen)
Inschrijftarief bij 16.1 miljoen Nederlanders832,0
Consulten/verrichtingen € 9,0 bij 16,1 miljoen Nederlanders508,4
Module populatiegebonden vergoedingen 25,0
Module POH49,0
Module M&I75,0
TOTAAL1.489,0
"Overige gelden"266,0
TOTAAL macrokader huisartsenzorg1.755,0
Buiten kader om: digitaal declareren15,0
substitutie/doelmatig voorschrijven/ZVpm

Toelichting "Overige gelden"€ (miljoen)
huisartsenposten180,0
Passanten budget23,5
Achterstandfonds5,2
ondersteuning17,7
Verloskundige activiteiten van huisartsen8,0
uitstrijkje0,1
SCEN0,7
Niet deelnemers HAP1,7
Hulpmiddelen, ECG, LBZ, MBG20,0
Nominaal over deze posten9,3
Subtotaal266,2


Bijlage II:



Wenselijk en noodzakelijke M&I ontwikkelingen:


Bijlage III:

HUISARTSEN
Onderbouwing kostenbestanddeel per 1 januari 2006
Totale praktijk
TRENDCIJFERSVC2006
Inkomen0,60%
Personeelskosten (OVA) 0,60%
Overige kosten (CEP) 0,60%
KOSTENVC2006
Personeel: 1 fte assistente, oude schaalniveau 6 31.704
huisvesting 22.016
Praktijkruimte 80 mtr216.040 
werkster2.604 
energie1.838 
overige kosten1.535 
inventaris 3.412
investeringsbedrag2.780 
overig526 
verzekering105 
instrumentarium 2.227
investeringsbedrag2.028 
kosten onderhoud122 
verzekering77 
verbruiksmaterialen 2.610
overig personeel 627
hepatitis26 
nascholing602 
administratiemateriaal 3.600
nota's1.856 
overige kosten1.744 
algemene kosten 6.430
verzekeringen 837 
contributies1.748 
infrastructuur en regioversterking--- 
boeken/tijdschriften507 
nascholing1.748 
FTO541 
DHV-klachtenregeling100 
herregistratiekosten50 
(over) beroepskosten900 
overige kosten 5.172
bankkosten566 
accountantantskosten3.208 
administratiekosten1.398 
vervoer 2.653
automatiseringskosten 8.244
hardware2.761 
onderhoud1.104 
software385 
abonnement software2.911 
verzekering412 
overige kosten672 
telecom 4.274
ISDN 715 
bedrijfscentrale542 
fax134 
gsm297 
gesprekskosten2.571 
verzekeringen15 
interest 3.661
waarneming/kortdurende ziekte 2.781
TOTAAL 99.410
INKOMENVC2006
INKOMEN+betaling verzekering ziekte/AOV/pensioen96.404 
INKOMEN ANW14.843 


Bijlage IV:



Tabel: de prijs van moderniseren (2006)

Van uitstel komt geen afstel….

Wikipedia: "Inflatie: (letterlijk 'opblazen') of geldontwaarding is in de economie het verschijnsel dat geld steeds minder waard wordt. Dat komt, omdat de vraag naar een product sneller groeit dan de productiecapaciteit. Een inflatie van 2 of 3 procent per jaar wordt als acceptabel beschouwd. Een product dat dit jaar 100 euro kost, zal volgend jaar 102 tot 103 euro kosten. Als de lonen gelijklopend met de inflatie stijgen, blijft de koopkracht gelijk. In het andere geval stijgt of daalt de koopkracht."

1 = € 1 miljoen
omschrijving van de investering bij moderniseringkosteninkomen
D&T kostenrapport juni 2000 updaten naar 2006.
Verschil 2006: NZa (werkelijk) – D&T (fictief):
€ 100.000 per normpraktijk.
Macro: 100.000 x 6851 fte normpraktijken
685,0 
Structurele kosten hagro-manager bij 900 hagro’s per jaar26,0 
Eenmalige kosten projectmanagement/projectleider/projectplan 36,0 
Kosten HOED: desinvestering / verhuizing: (eenmalig)p.m. 
Kosten HOED: 500 hagro’s die financieel deskundige inhuren 1,5 
HOED: deskundigheid inhuren voor specifieke trajectenp.m. 
meerkosten uitbreiding HADS van 15 miljoen naar 16,2 miljoen inwoners: 18,5 miljoen in 2004 is 19,6 miljoen in 20069,6 
Kosten invoering EPDp.m.p.m.
Budget praktijkaccreditatiep.m.p.m.
herijking daginkomen: CTG 15 juli 2002 (V/02/606):
macro 72 miljoen in 2002 is € 79,5 miljoen in 2006
 79,5
herijking ANW-inkomen: CTG 15 juli 2002 (V/02/606):
macro 27 miljoen in 2002 is € 29,8 miljoen in 2006
 29,8
compensatie AOV-premie 2001 e.v.:
CTG beschikking 15 april ’02 is verdisconteerd in "herijking inkomen".
In 2002 € 19 miljoen
  
totaal: investering/modernisering excl. p.m. posten768,1109,3



Bent u al donateur van De Vrije Huisarts? Meteen DOEN.