Een analyse van De Vrije Huisarts
27 juni 2007
Inleiding
De relatie tussen werkbelasting en tarief
De contactfrequentie voor huisartsenzorg in 2006 en 2007 is hoger (Vektis, zie toelichting onderaan in deze analyse) dan bij het opstellen van het Vogelaarakkoord (3) in juni 2005 werd aangenomen. De consequentie dat deze hogere werkproductie vanaf 2008 zal kunnen leiden tot verlaging van de consulttarieven, heeft tot veel onrust in de beroepsgroep van huisartsen geleid.
Immers in het Vogelaarakkoord 2006/2007 (getekend 13 juni 2005) staat beschreven:
Gelukkig reageerde de voorzitter van de LHV, Steven van Eijck, in Huisarts & Praktijk, april 2007 adequaat:
Om daar als LHV voorzitter nog eens aan toe te voegen:
NB: Het macrokader huisartsenzorg 2006 is 1770 miljoen, en dat op een begroting in de Miljoenennota van ruim 50 miljard. De kosten van de huisartsenzorg behelzen slechts ruim 3,5% van het kader.
Hoe was het vóór 2006?
Het blijft opmerkelijk dat de discussie over deze paradoxale honorering (harder werken, met als beloning tariefkorting) anno 2007 nog steeds gevoerd moet worden. Immers oud-minister Hans Hoogervorst heeft bij herhaling het principe "loon naar werken" genoemd als één van de pijlers(8) waarop het nieuwe zorgstelsel rust.
De oorsprong moet worden gezocht in het verleden, toen in 1989 het CTG (het College Tarieven Gezondheidszorg als voorloper van de huidige NZa) de tariefformule voor de huisartsenzorg opstelde. Deze tariefformule bepaalde in het verleden de hoogte van het ziekenfondshonorarium en de hoogte van het consulttarief voor particulieren.
Tariefformules huisartsenzorg (per jaar tussen 1989 – 2006):
ziekenfondsabonnement = (norminkomen + normkosten) / normpraktijk
particulierconsulttarief = (norminkomen + normkosten) / werkbelasting
[Het CTG gebruikte bij deze particuliertarief formule in 1989 de contactfrequentie op basis van CBS cijfers. Deze bedroeg toen 2.9.]
(zie toelichting onderaan in deze analyse)
We zien in de tariefformule dus dat de werkbelasting bij het vaststellen van het abonnementstarief helemaal geen enkele rol speelde. Bij het vaststellen van het particuliere consulttarief staat de werkbelasting zelfs in de noemer van de breuk. Dat betekent, dat wanneer huisartsen aan zouden geven harder te zijn gaan werken, de noemer van de breuk zou toenemen met als gevolg een lager particulier consulttarief. Dus werd er niets gemeld en bleef de tariefsaanpassing beperkt tot een jaarlijkse indexering.
Perverse systematiek, al 18 jaar
Deze perverse honoreringssystematiek bestaat al vanaf 1989, nu bijna 18 jaar. Al 18 jaar bestaat er een negatieve relatie tussen de hoogte van het tarief en een gestegen contactfrequentie.
Anders gezegd: er is helemaal geen principe van "loon naar werken"(8) geweest.
Een andere manier, dan aanpassing van tarief en abonnementsgeld, om bij stijgende contactfrequentie "loon naar werken" te krijgen, is de normpraktijkgrootte van 2350 te verkleinen.
De LINH (zie toelichting onderaan in deze analyse) heeft harde gegevens over de stijging van de contactfrequentie.
| Contactfrequentie [LINH](12) | |||||||||
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 |
| 5,7 | 6,0 | 6,2 | 6,0 | 6,2 | 6,3 | 6,6 | 6,6 | 6,7 | 6,7 |
De CBS contactfrequentie (zie toelichting onderaan in deze analyse), gebruikt bij de tariefformule na 1989 en gemeten met POLS (Permanent Onderzoek Leefsituatie)(7), is gestegen van 2.9 (1989) naar 3.7 (2006). De laatste jaren is de contactfrequentie huisartsenzorg zowel bij het LINH (onderzoek in praktijken) als bij het CBS (onderzoek onder burgers) nagenoeg gelijk gebleven.
Gelukkig is met de afspraak in het Vogelaarakkoord (3) bij de module M&I wél erkend, dat er met meer werk, ook meer betaald zou worden.
Standpunt Stichting de Vrije Huisarts
Stichting de Vrije Huisarts heeft recent voor 2008 haar "Agenda en bekostigingssystematiek huisartsenzorg 2008 e.v."(2) opgesteld en gepubliceerd. Hierin staat ons standpunt duidelijk:
Als huisartsen het na 18 jaar in de nieuwe bekostigingsstructuur 2008 anders willen, moeten ze dus andere afspraken maken. Willen wij de huisartsenzorg versterken om zo de zorg in de BV Nederland betaalbaar te houden, dan moet de rem er eerst af. Gebeurt dit niet, dan zullen huisartsen hun zorgoutput noodgedwongen gaan budgetteren en gebeurt precies datgene wat je niet wil: (nog) méér zorg naar de 2e lijn!
De sinds 18 jaar gehanteerde systematiek die harder werken beloont met een tariefkorting doet geen recht aan het beloofde principe "loon naar werken"(8) en vormt een rem op de modernisering en uitbouw van de huisartsenzorg.
Er dient gebroken te worden met deze handelwijze en vanaf 2008 moet het risicodragerschap van méérwerk voor de huisarts daar gelegd te worden waar het thuis hoort: bij de afnemer (patiënt) c.q. de zorginkoper (diens verzekeraar)
Deze problematiek rond de werkbelasting vertaalt zich dan in de ogen van Stichting de Vrije Huisarts naar 2008 met concreet de volgende onderhandelingsdoelen voor onderhandelaars namens de praktijkhoudende huisartsen:
Tot slot
De consequentie van ons standpunt is dat het budget huisartsenzorg meegroeit om onze ambities waar te maken, onze praktijken te innoveren en om verricht werk naar behoren te betalen. In feite gaat het hierbij ook om ambities die we (hopen te) delen met de beleidsmakers bij overheid en verzekeraars: toegankelijke en betaalbare kwaliteitszorg door huisartsen.
Over de kosten van onze zorg wordt veel met getallen gegoocheld. Wij zien "cijferlijstjes" over huisartsenzorg bij VWS, bij verzekeraars, bij de LHV, bij CVZ, bij CBS, bij Stichting de Vrije Huisarts, bij WOK etc. Maar als het gaat over "het budget huisartsenzorg" willen wij alleen de cijfers ter harte nemen, die we over huisartsenzorg van de komende jaren kunnen terugvinden in de Miljoenennota’s van de Minister van Financiën. De minister van Financiën bepaalt immers de hoogte van de budgetten.
LINH:(12)
CBS:(13)
Vektis: (4)
Berekening particulier consulttarief
Het CTG heeft in 1989 deze particulier consultarief formule opgesteld:
particulierconsulttarief = (norminkomen + normkosten) / werkbelasting
Deze werkbelasting wordt berekend door:
werkbelasting = aantalconsulten + (aantalvisites x visitefactor)
waarbij:
aantalcontacten = normpraktijkaantal x contactfrequentie
aantalconsulten = aantalcontacten x consultratio
aantalvisites = aantalcontacten x visiteratio
Het CTG gebruikte in 1989 deze cijfers:
contactfrequentie [CBS cijfers] = 2,9
consultratio [aanname] = 0,7
visiteratio [aanname] = 1 - 0,7 = 0,3
visitefactor [afspraak] = 1,5
normpraktijkaantal [afspraak] = 2350
de werkbelasting 1989 is dan:
werkbelasting1989 = (2350 x 2,9 x 0,7) + (2350 x 2,9 x 0,3 x 1,5) = 4771 + 3066 = 7837.
particulierconsulttarief1989 = (norminkomen + normkosten) / 7837
In 1995 is er een verzwaring van de werkbelasting van 5% bijgekomen, wat dus een verlaging van het tarief met dat percentage inhoudt, dus:
werkbelasting1995 = (aantalconsulten + (aantalvisites x visitefactor)) x verzwaring1995
particulierconsulttarief1995 = (norminkomen + normkosten) / 8229
Bent u al donateur van De Vrije Huisarts? Meteen DOEN.