Hits:
Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

De Vrije Huisarts analyseert

31 januari 2006

De Tweede Kamer stemde 14/2/06 zonder veel poespas VOOR de WMO
stenogram 14/2 [pdf]
Tweede Kamer zegt "ja" tegen Wmo 14/2
De beoogde ingangsdatum
was 1 juli, nu uitgesteld
tot 1 januari 2007.
Zie ook:
Website "Invoering WMO"
kamerdebat krijgt vervolg 27/1/06
Voorstelbrief 25/1/06
Nota v wijziging WMO 10/11/05 [pdf]
Nieuwe regels 10/11/05 [pdf]
Tweede nota v wijziging WMO 20/10/05 [pdf]
WMO wetsvoorstel mei 2005 [pdf]
Memorie van toelichting WMO mei 2005 [pdf]
Advies Raad van state [pdf]
WMO Nieuws

Een andere stem, Programma Versterking CliëntenPositie (VCP)



Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

Met de laatste amendementen is op dit moment de politiek bezig de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) bij te stellen. Stichting de Vrije Huisarts verwacht veel problemen bij de invoering. Er ontstaat willekeur in beleid bij de verschillende gemeentes en overbelasting dreigt voor mantelverzorgers. De invoering van de WMO is een bezuinigingsoperatie met het wegvallen van delen van de zorg. Als in de care sector fors wordt bezuinigd, heeft dit consequenties voor de sector cure, inclusief de huisarts.
Huisartsen kunnen in de WMO-proeftuinen pro-actief een belangrijke rol vervullen en mede regisseur worden bij het indiceren van zorg. Ook voor zorg in de sector care.

In de Haagse politiek zijn op dit moment de besprekingen over de WMO in volle gang. De WMO zal de Welzijnswet, de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) en delen van de AWBZ (bijvoorbeeld huishoudelijke verzorging) omvatten. De beoogde ingangsdatum van de WMO is 1 juli 2006. De WMO is, net als de Zorgverzekeringswet en de WMG, onderdeel van de stelselherziening in de zorg van dit kabinet.

De kosten van de AWBZ zijn uit de hand gelopen en om deze kosten weer beheersbaar te maken hevelt het kabinet nu al delen van de AWBZ over naar de WMO. Niet de overheid, maar de gemeente wordt verantwoordelijk voor de uitvoering van de WMO (decentralisatie).

Gemeenten krijgen daar ongeveer 1 miljard euro voor, maar mogen zelf bepalen waar ze het geld aan uitgeven. Staatssecretaris Ross laat het aan volgende kabinetten over om nog meer delen van de AWBZ bij gemeenten neer te leggen.

Wat verstaat de overheid onder maatschappelijke ondersteuning?

Mensen die langdurige en intensieve zorg nodig hebben, zoals chronische zieken en zwaar gehandicapten blijven hun zorg en ondersteuning uit de AWBZ ontvangen. Om in aanmerking te komen voor een voorziening uit de AWBZ is een indicatiebesluit nodig van het indicatieorgaan van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het CIZ geeft indicaties af voor een of meerdere functies: huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding en indicatie over een verblijf, bijvoorbeeld verzorgingshuis of verpleeghuis.

Is het overhevelen van zorg van de AWBZ naar WMO/gemeenten een vooruitgang?

Een vooruitgang is niet te verwachten. Er zullen verschillen ontstaan tussen gemeenten onderling als deze dit soort zaken zelf moeten regelen.

Fine tuning van zorg en "zorg op maat" uitgevoerd door een logge instantie als de gemeente, zal een illusie zijn.

Maar het kostenaspect telt voor de overheid zwaar. In 2003 betaalt de Nederlander 13,3% van zijn salaris aan de AWBZ-premie. Bij ongewijzigd beleid en de vergrijzing zou dit oplopen tot 25% in 2020.

Het kabinet vindt dit onaanvaardbaar.

Meer zelf gaan doen en meer samen gaan doen (WMO), zijn hierbij de sleutelwoorden van de overheid. De gemeente krijgt dus de opdracht om met het rode potlood bij een aantal mensen bestaande voorzieningen te schrappen. De WMO schaft het recht op AWBZ-zorg (care) voor veel mensen af.

Zorg wordt van een recht veranderd in een gunst. Het gevolg is dat het voorzieningenniveau over de volle breedte zal dalen.

Dit is alleen op te vangen wanneer mensen meer dan vroeger voor elkaar gaan zorgen, zo zegt de overheid. De verandering betekent een bezuiniging. Dus geld voor extra personeel is er niet.

Maar wie moet dat werk dan opknappen? Dat zullen de mantelzorgers moeten doen. Maar hoe kunnen deze mantelzorgers dit extra werk erbij doen? Van de 3,4 miljoen mantelzorgers is 40% nu al te zwaar belast.

Een nieuw toverwoord: participatie

Verder weten we dat er ook steeds meer een beroep wordt gedaan op verplichte arbeidsparticipatie (nieuwe WAO wet: de WIA), hulp op school (leesmoeders) en meer inzet van eigen familie bij problemen via het organiseren van "eigen kracht" conferenties.

Daarnaast speelt bij de overheid ook de illusie van marktwerking een rol. De overheid verwacht meer aanbieders op de vrijgekomen AWBZ-zorgmarkt die naar de gunst van de cliënt dingen en een breed scala aan producten in de markt zetten.

Maar wordt het daardoor beter? En goedkoper? Heeft de overheid dan niets geleerd van de privatiseringen in vervoer, telefonie en energie?

Wij (DVH) herhalen het nog maar eens: dienstverlening en marktwerking waren en zijn tegenstrijdige zaken en gaan niet samen.
Nu niet, en in de toekomst niet!

Verder wordt de WMO verkocht als een participatiewet. Staatssecretaris Ross zegt dat het er om gaat dat je mensen die in een zwakke positie verkeren, mee laat doen aan de samenleving.

Mooie woorden, maar wat betekent het woord participatie? Recht op participatie? Recht op participatie wordt niet gegeven. Recht op betaald werk evenmin. Wel de plicht tot participeren, maar niet het recht van participeren. Welke betekenis heeft het woord participatie dan?

Wat heeft de huisarts hier nu mee te maken?

De huisarts werkt in de sector cure. De WMO/AWBZ regelt meer de zaken in de sector care. Elke huisarts weet vanuit de dagelijkse praktijk dat wanneer de care onvoldoende is, de problemen uiteindelijk vanzelf in de sector cure komen.

Verhoogde valneiging, ondervoeding, decubitus, eenzaamheid, zijn zo maar enkele voorbeelden.

Huisartsen zien het overheidsbeleid in de zorg met privatisering met lede ogen aan. Huisartsen ondertekenden het Manifest tegen marktwerking in de zorg en protesteerden in 2005 tegen de ZVW in Den Haag en Amsterdam.

Huisartsen zien daarnaast ook het beleid van de extramuralisering in de zorg. Met een dalende capaciteit van verzorging in verzorgings- en verpleegtehuizen.

Maar ook het deels extramuraliseren van instellingen, bijvoorbeeld in de gehandicaptenzorg.

Met de dubbele vergrijzing enerzijds en extramuralisering anderzijds, stijgt de prevalentie van zorgintensieve ouderen in de thuissituatie, dus ook in de huisartsenpraktijk.

Denk ook bijvoorbeeld aan de stijgende prevalentie van dementie.

Wanneer een verhoogd aanbod van zorgintensieve patiënten in de thuissituatie gepaard gaat met een bezuiniging (WMO) en een toenemende werkbelasting bij de mantelzorgers, dan is het wachten op meer care en cure problemen, zowel bij patiënten, als bij diens mantelverzorgers.

Daar is niets ingewikkelds aan. Dat is een eenvoudig optelsommetje van de feiten.

Daarnaast zullen huisartsen attent moeten zijn op de indicatiebesluiten van de CIZ.

Wordt er door het CIZ geïndiceerd naar individuele zorgbehoefte of wordt top-down de indicatie bepaalt volgens centrale regels van bovenaf?

En hoe stellen de indicerende organen zich op bij een dalend macrobudget (zoals nu bijvoorbeeld voor de huishoudelijke zorg)?

Ontstaat hierdoor niet een neerwaartse spiraal?

Er is met deze WMO geen reden om passief achterover te leunen.

Wat kunnen huisartsen er dan aan doen?

De kunst is om als beroepsgroep verantwoordelijkheid te nemen, te tonen en te initiëren om met de WMO problematiek aan de slag te gaan. Als huisartsen zich stil houden en zich niet mengen in dit maatschappelijke probleem/debat, dan hebben huisartsen straks ook geen recht van spreken.


Huisartsen zijn goed op de hoogte van de cure en care noden van hun patiënten. Huisartsen zullen moeten laten zien wat zij in het kader van de WMO voor de gemeenschap en de gemeenten kunnen betekenen. Dat zij inhoudelijk betrokken, en met kennis van zaken medeverantwoordelijk willen zijn.

Huisartsen kunnen samen met de thuiszorg en de gemeentes alle zorg waarbij medische aspecten een rol spelen, indiceren.

Het CIZ kan dan worden opgeheven.

Op 23 oktober 2004 schreef het bestuur van Stichting de Vrije Huisarts een brief aan de Minister Hoogervorst. In deze brief werden de wrijfpunten benoemd met betrekking tot de huisartsenzorg en kwam de Vrije Huisarts met een aantal concrete beleidsaanbevelingen.

Een van deze aanbevelingen betrof een zorginhoudelijke aanbeveling, namelijk een samenwerking tussen huisarts, wijkverpleegkundige en praktijkondersteuner. De minister werd duidelijk gemaakt dat op deze manier daadwerkelijk kon worden geïnnoveerd in huisartsenzorg, ouderenzorg, terminale zorg en belangrijke delen van de thuiszorg. De RIO kosten konden dan vervallen, zo concludeerde de Vrije Huisarts. De werklijnen zijn dan immers kort, snel en efficiënt en dat zonder dure overhead. De Vrije Huisarts vroeg de minister toen in 2004 om op zeer korte termijn hiervoor trials op te zetten en wijziging van regelgeving voor te bereiden.

Zover is het helaas (nog) niet gekomen.

De staatssecretaris gaat nu in 2006 eerst onderzoeken wat de WMO in de dagelijkse praktijk betekent voor gemeenten en voor mensen met een handicap. Daarom organiseert zij in 26 gemeenten zogenaamde WMO-proeftuinen. Hierbij worden cliënten- en belangenorganisaties nadrukkelijk betrokken.

Het lijkt logisch dat huisartsen zich hier bij aansluiten.
Gevraagd en/of ongevraagd.




Dit jaar al donateur van De Vrije Huisarts, collega? Meteen DOEN.