III Zorginkoop mankeert op ongelijke speelvelden
Het speelveld van de zorgmarkt waarbij zorgaanbieders en zorgverzekeraars onder bewaking van de zorg-autoriteit op gelijkwaardige wijze en condities hun rol in de zorgmarkt kunnen spelen, bestaat niet. Terwijl de huisartsenzorg taken uit de tweedelijn moet overnemen (moet concurreren met ...), is het bestaan van een ongelijke marktpositie 3 jaar na de start van de Zorgverzekeringswet ten opzichte van de tweedelijn nog steeds niet wettelijk opgeheven. Om te begrijpen wat de basis is voor deze ongelijke marktpositie tussen eerste en tweedelijn, wordt in het kort de wijze van financiering van de tweedelijnszorg uiteengezet.
Verzekeraars worden voor de vaste kosten van de ziekenhuiszorg (afschrijving gebouwen, medische apparatuur en andere kapitaallasten) in principe volledig gecompenseerd omdat een verzekeraar volgens de wetgever, deze kosten niet kan beïnvloeden. Hierop loopt de verzekeraar dus geen financieel (eigen) risico.
Ten aanzien van variabele kosten van ziekenhuiszorg en specialistische hulp, loopt de verzekeraar wel enig risico, doch nog steeds een verminderd risico ("beperkte risicodragendheid") omdat de wetgever stelt dat een zorgverzekeraar bij inkoop van deze zorg dit type kosten in onderhandeling met ziekenhuizen in enige mate kan beïnvloeden.
Voor de meerkosten van (extramurale) farmaceutische zorg, huisartsenzorg, hulpmiddelen en kraamzorg loopt de verzekeraar 100% eigen risico.
Wanneer bijvoorbeeld de uitgaven voor huisartsenzorg hoger uitvallen dan het hiervoor gereserveerde VWS budget, dan moet de verzekeraar deze meerkosten voor eigen rekening nemen.
Dit heeft als consequentie dat de verzekeraar die, bijvoorbeeld in overleg met regionale huisartsen, investeert in innovatie van de eerstelijn, zijn verzekerden een hogere nominale premie moet vragen dan zijn concurrent om zelf "budgetneutraal" in de markt te kunnen opereren. Dit schaadt niet alleen zijn concurrentiepositie, maar geeft ook verzekerden van andere verzekeraars voordelen zonder dat deze verzekeraars verplicht zijn er aan mee te betalen. Dit wordt het "free riders" gedrag van de "verre" verzekeraars genoemd. Deze ongelijke concurrentiepositie tussen regionale en "verre" verzekeraars wordt in stand gehouden door de NZa die aansluiting van "verre" verzekeraars bij het (regionale) hoofdcontract niet wil verplichten omdat dit zou conflicteren met de beoogde marktwerking.
Per saldo investeert de regionale verzekeraar dus niet snel extra middelen in regionale huisartsenzorg.
Investeringen in innovatieve zorg blijven zo uit of komen ten laste van bijvoorbeeld de huisarts zelf, zonder dat daar een adequate en structurele kostencompensatie tegenover staat.
Kennelijk achten de NZa, VWS en Financiën het selectief toepassen van hun marktideologie van meer betekenis dan een consequente ontwikkeling en versterking van de eerstelijn. Ter voorkoming van premieverhoging – en dus ook van de uit te keren Zorgtoeslag - wordt daarbij de ongelijke concurrentiepositie tussen zorgverzekeraars geaccepteerd en bestendigd. Over Markttoezicht gesproken!
Verzekeraars zullen het principe van kosten- of risicoverevening niet snel en zeker niet volledig prijsgeven. Er is, zoals gezegd, met de Minister bij de start van de Zorgverzekeringswet, afgesproken dat de risicoverevening een compensatie is voor verzekeraars voor hun risico met de acceptatieplicht, zorgplicht en het verbod op premiedifferentiatie. Het verschil in risicodragendheid van verzekeraars voor de zorgkosten van eerste en tweedelijn, ten gunste van de laatste, komt de groeibestendigheid van het "aanvullend zorgaanbod", naast het basisaanbod, niet ten goede. Kostenverevening, nota bene bij wet vastgelegd, blokkeert de substitutie van zorg van de tweede naar de eerstelijn. Anders gezegd: het verschil in risicodragendheid speelt een dubbele negatieve rol. Allereerst zou er op zijn minst een gelijkwaardige risicodragendheid voor verzekeraars moeten bestaan bij de zorginkoop op het transmurale grensvlak van eerste en tweedelijn. Zowel voor de vaste kosten, als voor de variabele kosten. Want ook de huisarts heeft vaste kosten en ook bij de huisarts zijn, net als in het ziekenhuis, niet alle variabele kosten beïnvloedbaar.
Zolang de regelgeving rondom risicodragendheid bij zorginkoop niet wordt aangepast, gelden nog de "oude" rechten en wordt de zorg, met zorgvraagbeïnvloeding (klachtenpoli's), naar de instelling gezogen met de meeste macht, met de meeste kapitaalkracht, met de gunstigste regelingen in de WMG (kapitaallast gebouwen), met de voordeligste risicodragendheid en de fraaiste PR. De huidige situatie is voor de verzekeraars allang best, want de duurdere tweedelijns zorgkosten valt onder de kostenverevening. Zij zullen zeker niet hun nek uitsteken voor een actieve zorgverplaatsing(substitutie) naar de eerstelijn. Het is kwalijk dat Klink en de NZa dit perverse systeem in stand houden. Dat zij geen adequate maatregelen treffen tegen het aanbod en de financiering van onnodige en dure zorg. Het recente antwoord van Klink (12.12.09, antwoord minister op motie Omtzigt) is onvoldoende.
En de kosten van de huisarts die "niet beïnvloedbaar" zijn? Daar moet de huisarts wèl zelf het financiële risico voor dragen? Hoe zo, gelijke markt- en concurrentiepositie!
Klink's intenties kennen we nu wel. Maar wanneer heeft hij eens het lef om zich vast te leggen op een resultaatsverplichting, 3 jaar na de invoering van de ZVW? Anderen (zoals de huisartsen) weet hij vlijmscherp de maat te nemen. Waarom zichzelf niet?
Klink schept weliswaar het perspectief de zorgverevening en de schotten (het verschil) in financiering tussen huisartsen M & I en de DBC's uit het "vrijere" segment B aan te zullen passen, maar het verschil in risicodragendheid wordt niet opgeheven. Laat staan dat hij de zorginkoop bij de eerstelijns zorgaanbieders onder gunstiger condities wil laten plaatsvinden dan de zorginkoop bij de tweedelijn. Het kan toch niet zo zijn dat er voor zorgaanbieders verschillende spelregels zijn bij de inkoop van zorg, om de wedstrijd te spelen? Met daarbij een disfunctionerende scheidsrechter, de NZa, die noch de spelregels aanpast, noch en public de rechtsongelijkheid aan de kaak stelt. Aan zo'n partijdige scheidsrechter hebben de spelers in de Zorg niets. Deze Zorgautoriteit kan dan ook beter van het veld worden gestuurd!
Voor Klink, begrijpen we uit het VWS Kamerstuk over substitutie, kan het verplaatsen van zorg alle kanten op. De risico's die daaraan verbonden zijn, noemt hij niet: dreigende zorgversnippering en demotivatie bij zorgaanbieders om te investeren. Nu gaat het weer eens om de "keuzevrijheid" van de patiënt. Alsof doelmatigheidseisen en beheersing van steeds maar stijgende zorgkosten nu weer "uit" zijn. Zorgversnippering? Nooit van gehoord! Laat staan van hogere kosten in de tweedelijn voor dezelfde zorg.
Staat de minister nu als bewindsman voor de publieke zaak (kostenbeheersing Gezondheidszorg) of geeft hij als neoliberaal de voorkeur aan populistisch cliëntelisme? Zijn het wellicht electorale overwegingen? In elk geval leidt zijn gedrag tot kostbare systeemfouten.
Een tweede weg te nemen probleem is de vrije toegang tot de tweedelijn voor zelfverwijzers. Consumptie van duurdere tweedelijns zorg zonder dat er van enige drempel sprake is en waarbij de huisarts zonder probleem wordt gepasseerd. Ondanks de onnodige kosten en gezondheidsrisico's. Wanneer dan blijkt dat veel ziekenhuizen zich ook nog eens expliciet toeleggen op het aanbieden van eerstelijnszorg waarvoor zij via DBC's gefinancierd worden, stijgen de macrozorgkosten onnodig en wordt vervolgens de bezuinigingswoede van VWS in de verkeerde richting aangewakkerd.
Conclusies en aanbevelingen III
Bent u dit jaar al donateur van De Vrije Huisarts? Wij hebben uw steun nodig.