Hits:
Financieringsstructuur huisartsenzorg

Een analyse van de Vrije Huisarts

13 april 2005




Samenvatting:

  1. het "5 euro"-voorstel in 2004 als basis voor een nieuwe financieringsstructuur is mislukt in verband met de beoogde macroneutraliteit en het willen moderniseren zonder te willen investeren. Verder bestond er verschil van inzicht in het te declareren verrichtingengetal en de hoogte van het verrichtingentarief.
  2. om de werkbelasting van huisartsen in kaart te brengen is informatie nodig over het aantal contacten per patiënt per jaar. Ook bij de verdeling van het macrobudget huisartsenzorg naar hoogte abonnement en verrichtingentarief is het aantal contacten van belang. Nederland kent 2 soorten contactregistraties, namelijk van het CBS en het LINH. Indien beide systematieken door elkaar worden ingezet, leidt dit snel tot foute conclusies.
  3. om een nieuwe financieringsstructuur te kunnen beoordelen, is kennis nodig van de huidige financieringsstructuur 2005. Wat zijn namelijk de veranderingen? Wat is goed, wat is fout. Analyse van de samenstelling van het abonnementstarief en het particuliere consulttarief wordt beschreven. De RIZ valt buiten het macrokader van 1,6 miljard. De hoogte van de RIZ tarieven geeft inzicht in de inkomensderving indien deze regeling verdwijnt.
  4. het "principeakkoord" van VWS-ZN-LHV wat geen akkoord is, maar een eenzijdige interpretatie van de minister. In de ministeriele aanwijzing aan het CTG betreffende de invoering van een nieuw bekostigingssysteem voor huisartsenzorg loopt de minister voor de muziek uit. Het voorstel in deze aanwijzing wordt geanalyseerd en per onderdeel bekritiseerd.
  5. de nieuwe financieringsstructuur. Stichting de Vrije Huisarts geeft de bouwstenen aan waarmee een nieuw normabonnement kan worden opgebouwd. Met dit abonnement als vertrekpunt kan een toekomstbestendige huisartsenzorg daadwerkelijk gestalte krijgen. Vele vragen blijven er over en veel getallen moeten nog worden ingevuld. Echter een ding is zeker: een budgetneutrale oplossing komt alleen voor in het brein van de minister, hetgeen niet getuigt van enig realisme.
  6. Budgettair Kader Zorg, Zalmnorm en het Stabiliteitspact. Gerrit Zalm, minister van Financiën en politiek leider van de VVD, blokkeert als minister al drie kabinetten elke fundamentele investering in de huisartsenzorg. Is bekend geworden met zijn Zalmnorm. Deze norm houdt in dat vooraf per jaar wordt bepaald dat de zorgkosten voor de gehele kabinetsperiode van 4 jaar worden gemaximeerd. Natuurlijk is zijn partijgenoot Hoogervorst het met Zalm eens.

I. Het eerste "5 euro"-voorstel

Een nieuwe financieringsstructuur voor huisartsenzorg is nodig om deze zorg toekomst-bestendig te maken. In 2004 verscheen hierover het eerste "5 euro"-voorstel, welk voorstel door de LHV werd afgewezen. Dit voorstel hield in:

De redenen om dit voorstel destijds af te wijzen waren:
  1. het uitgangspunt van macroneutraliteit maakte de hoogte van het abonnement, het aantal verrichtingen en het verrichtingentarief tot de (verkeerde) variabelen. Daar waar juist de (uiteindelijke) bruto omzet de uitkomst zou/had moeten zijn van de optelsom van de herijkte kostenvergoeding en inkomensvergoeding.
  2. geen financiering voor innovatie/modernisering en (extra) ondersteuning
  3. een te hoog geschat declarabel verrichtingengetal ( 4,94). Het NIVEL kwam later uit op 2,66-2,88.
  4. een te laag verrichtingentarief van "5 euro" wat bvb leidt tot overwerken voor slechts € 30,- per uur.
De bouwstenen voor een nieuwe financieringsstructuur in een nieuw zorgstelsel zijn beschreven in de talloze rapporten die de laatste 5 jaar zijn verschenen:
20002001200220032004
D & T Tabaksblat
Hay
LKC
ELZ-modernisering
ING
Toekomstvisie
Taskforce Knelpunten
Geďntegreerde ELZ

Dus:

Als het uitgangspunt en het doel van de nieuwe financieringsstructuur niet helder wordt geformuleerd, dan krijg je een voorstel als met de "5 euro". Het uitgangspunt moet natuurlijk zijn in kaart te brengen wat de kosten zijn van hoe de huisarts toekomstbestendig het basiszorgaanbod levert en wat de kosten zijn van een aanvullend en bijzonder aanbod. Vervolgens de vraag langs welke weg deze normomzet bij een normzorgaanbod is binnen te halen. Is macroneutraliteit het uitgangspunt, zoals VWS (toen ook al) te kennen gaf, dan is de berekening louter een technische exercitie. En ontstaat een situatie die niet aansluit bij de realiteit van alledag.

De nieuwe financieringsstructuur zal elementen (moeten) bevatten van reparatie en herijking, van (mogelijkheden tot) modernisering en innovatie, van ondersteuning en transparantie met een duidelijk implementatietraject.

Om te besluiten of we met een nieuw voorstel akkoord kunnen gaan, is het essentieel te weten wat de huidige werkbelasting is en hoe de financieringsstructuur nu in elkaar zit.

Het streven is dat elke huisarts met een normpraktijk het normbasispakket uitvoert. Deze huisarts heeft met een norminzet een normomzet. Waarbij na aftrek van de normkosten er een norminkomen overblijft. Een voorstel voor "100% normabonnement" die deze elementen bevat, wordt uitgewerkt.


II. Het aantal contacten

Dus:

Aanvankelijk was de door het CBS vastgestelde contactfrequentie maatgevend voor het vaststellen van het budget, de vaststelling van het ZF abonnement en de hoogte van het P-tarief. Dat is losgelaten. Het aantal contacteenheden dat wordt gebruikt mist anno 2005 de verbinding met de dagelijkse praktijk.

Wij kennen een tweetal registraties van consulten. De CBS contactfrequentie waar destijds voor het CTG het getal van "2,9" richtinggevend was voor bepaling van het aantal contacteenheden en voor bepaling van de hoogte van het particuliere tarief.


De relatie tussen het aantal consulteenheden en de hoogte van de tarieven
vinden we terug in de "Tariefformule"
P-tarief 2005 (€ 24,80)= inkomen + kosten
-------------------------------
werkbelasting (aantal consulteenheden)
Abonnementstarief 2005 (basis € 76,20)= inkomen + kosten
-------------------------------
normpraktijk (patiëntental 2350)

We zien dus dat:

  1. bij toename van de werkbelasting het particuliere tarief daalt als je zou wijzen op de gestegen werkbelasting. Daarom heeft het noemen van een hogere contactfrequentie ook geen zin, zolang de werkbelasting in de noemer van de breuk staat. Deze formule is ten principale onjuist.
  2. er geen relatie is tussen de prijs en het geleverde product.
  3. er geen relatie is tussen de prijs en de gestegen consultfrequentie bij ziekenfondsverzekerden. Er is geen invloed van de hoogte van contactfrequentie op de hoogte van het abonnement. Dat geldt niet t.a.v. de RIZ/flex verrichtingen.

Dus:

De CTG tariefformule is een formule om de prijzen van huisartsenzorg te beďnvloeden. Meer werk leidt niet tot meer inkomsten, waardoor de formule op steeds meer kritiek huisartsen kan rekenen. Aanpassing van WTG tarieven is één van de methodieken om de zorgkosten te beteugelen.

Naast de CBS contactfrequentie is er een tweede registratie, namelijk sinds 1996 de registratie van huisartsen zelf, de LINH. Deze LINH contactfrequentie is gestegen van 5,7 (1996) naar 6,6 (2002/2003). Dit extra werk is nooit gevaluteerd en betaald (zie de kenmerken van de tariefformule!). In de Tweede Nationale Studie staat vermeld dat het aantal contacten tussen 2000 en 2010 nog eens met 7,4% zal gaan stijgen. Daarom is het ook belangrijk de relatie te herstellen tussen het macrobudget en het geleverde werk, nu en in de toekomst. Wat Siem Buijs in 1987 nog met een kort geding afdwong, heeft na 1987 nooit meer een vervolg gehad. De gevolgen zijn bekend.

Want:

Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH). Registreert vanaf 1996. De jaarlijkse stijging tot 2002 komt vrijwel uitsluitend tot stand door hogere contactfrequentie bij 75-plussers. Het LINH gebruikt informatie uit 80-120 praktijken. De gestegen contactfrequentie ziet er als volgt uit: 1996: 5,7; 1997: 6,0; 1998: 6,2; 1999: 6,0; 2000: 6,2; 2001: 6,3; 2002/2003: 6,6

Nadeel: LINH: elke contact telt voor 1 (de inspanning voor een herhaalrecept is natuurlijk niet te vergelijken met een visite bij 75plus patiënt. De LINH maakt geen onderscheid tussen verrichtingen van assistente en huisarts. Verder is niet elk contact declarabel, zoals het Nivel al aantoonde.

De LINH publiceert jaarlijks de uitkomsten. Als we met een nieuwe financieringsstructuur de werkbelasting een "getal" willen geven, dan zullen we aan moeten geven waarom welke registratie wordt ingezet. Het zou vreemd zijn om bij het vaststellen van het jaarlijkse budget de (lagere) CBS frequentie in te zetten terwijl voor de vaststelling van een verrichtingentarief in 2006 de (hogere) LINH frequentie wordt ingezet. Dit betekent én geen uitbetaling van het aangetoonde meerwerk (bvb LINH en bvb NS2) én het betekent dat een hogere contactfrequentie wordt ingezet voor het bepalen van de hoogte van het verrichtingentarief nu. Dat kan natuurlijk niet, want dat is in werkelijkheid twee keer een "rebudgettering".


Hoe komen we aan het aantal LINH contacteenheden?

Aantal dossier-contacten per patiënt uitgesplitst naar soort contact, geslacht en verzekeringsvorm: 2003 (Number of electronic medical record contacts per patient, classified according to kind of contact, gender and type of health insurance, 2003)
public insuranceprivate insurance
menwomenmenwomenall
contact during consultation hours2,23,01,82,52,4
home visit0,20,30,10,20,2
telephone contact0,50,90,40,60,6
(repeat) prescription2,23,41,21,92,3
other/unknown1,01,40,71,01,0
total5,99,04,26,26,6
Laatste update op 27 januari 2005 (bron: www.linh.nl)
De wegingsfactor is: C=1;V=1,5;T=0,5;R=0,5
2003ZFP
consult2,6 -> 2,62,1 -> 2,1
visite0,25->0,3750,1 -> 0,15
tel.consult0,7 ->0,350,5 -> 0,25
herh.recept2,8 ->1,41,5 -> 0,75
Totaal (met weging)4,733,25

Het aantal ZF/P=2/1, dus de contactfrequentie is: (4,73x2) + 3,25 = 12,71

Ofwel: gemiddeld per verzekerde: 12,71/3=4,236 ofwel..

Per normpraktijk zijn dit 9956 (4,236x2350) declarabele contacteenheden per jaar. Deze contacten zijn incl. de RIZ contacten. Met andere woorden: wordt gekozen voor een abonnement dan moet duidelijk zijn of de RIZ contacten en RIZ opbrengsten hier wel of niet zijn (mee)gerekend.

III. De huidige financiering huisartsenzorg (2005)

Basisvergoeding 2005:
standaard praktijkkostenvergoeding CTG (normpraktijk)het norminkomen
Naam kostenpostBedrag100%part.) (2005)Bedrag100% ZF) (2005)naamBedrag 2005 100% ZF
personeel€ 31.206€ 31.206jaarsalaris€ 68.313
huisvesting€ 21.577vakantietoeslag€ 5.465
inventaris€ 3.343jaarsal.incl.vakantie€ 73.778
instrumentarium€ 2.182inhoudingen€ -3.047
verbruiksartikelen€ 2.559Sal.incl.vak./inhoud.€ 70.731
overig personeel€ 613eindejaarsuitkering€ 205
vervoer€ 2.600overrhevelingstoeslag€ 4.958
automatisering€ 8.081Interimuitk.ziekt.kost.€ 4.760
telecom€ 4.187Invaliditeitsuitkering€ 4.952
interest€ 3.587pensioenvoorziening€ 7.063
waarneming ziekte€ 2.726VUT€ 1.476
administratie€ 3.528ADV
alg.kosten€ 6.304Overige aankleding
overige kosten€ 5.071(VC 2005)
----------------- + Rest: € 56.034--------------- +
TOTAAL€ 97.566€ 87.240 (totaal)TOTAAL excl.ANW€ 94.144,-
incl. modulesexcl.. modulesANW € 49,50/300uur€ 14.850,-
Bruto omzet:97566/235087240/235094114/2350
Normpraktijk omzet p.pat.€ 41,52€ 37,12
excl. modules
Inkomensdeel dag€ 40,06

Dus:

De huidige praktijkkostenvergoeding is voor het laatst aangepast in juli 2001 als "uitkomst" van de stakingsdagen in mei 2001. Toen kreeg de normpraktijk er jaarlijks een bedrag bij van 35.000 NLG. Dit betekende een verhoging van 20%. Macro was dit toen 250 miljoen gulden.

Bestaat praktijk uit 100% ZF: bruto omzet p.p.p.jr: € 40,06+€ 37,12=€ 77,18 excl. modules

Bestaat praktijk uit 100% P: bruto omzet p.p.p.jr: € 40,06+€ 41,52=€ 81,58 incl. modules

Overige tarieven: 2005
Abon. ZFabo. 65+Consult P.FTO ZFNasch.AutomPOH ZF +POH P. +Hads p/uurCerv. opr.Cervix uitstr.griepSchr. info.
€ 77,00€ 90,80€ 24,80€ 0,20€ 0,70 € 3,40€ 9,30€ 2,00€ 49,50€ 4,10 € 10,90€ 8,82€ 36,80
Verbruiksartikelen/RIZ-tarieven 2005
Beschrijving [code]Bedrag
Uricult/dipslide [08258]€ 2,25
Electrocardiogram [08253]€ 9,60
Hechtmateriaalkosten/histioacryl€ 9,00
Vloeibare stikstof behandeling wrat/huid [08255]€ 3,63
Tapekosten bij enkeldistorsie [08257]€ 11,15
Glucosestrip [08256]€ 1,15
Medische indicatie zwangerschapstest [08254]€ 7,00
Allergietest ter vervanging Rast [09009]€ 24,80
Audiogram/gehoortest [09007]€ 24,80
Otitis externa met oortampon[09043]€ 24,80
Injectie bewegingsapparaat (Cyriax) [09010]€ 24,80
Desensensibilisatie kuur [09016]€ 12,40
Instellen DM met insuline [09011]€ 74,40
Begeleiding DM per jaar conform NHG [09015]€ 74,40
Inbrengen spiraal/IUD [09013]€ 49,60
Klein chirugische ingreep all inn>10min [09002]€ 49,60
Spirometrie met maximum van 3x/jr [09005]€ 24,80
1elijn copdzorg volgens nhg protocol[09038]]€ 74,40
Honorarium bij tapen [09012]€ 24,80
Tympanometrie [09006]€ 24,80
Spleetlamponderzoek met permissie ZV€ 24,80
Teledermatologie [09032]€ 24,80
Ambulant compressie verband ulc.cruris [09019]€ 49,60
Sclerosering van varices[09023]€ 24,80
Plaatsen (suprapub.)cath.€ 49,60
Doppler arteriële beenvaten[09022]€ 49,60
Trombosebeen [09040]€ 24,80
Hechting verwijderen op verzoek chirurg [09018]€ 12,40
MMSE: cognitieve functie test[09020]€ 49,60
Euthanasie [00084]€ 99,20
Palliatie consulent [00086]€ 99,20
I.T.Z.terminaal [09025]€ 37,20
I.T.Z. verpleeghuisindicatie door RIO[09025]€ 37,20
Intensieve zorg (ITZ) langer dan 20min€ 62,00
ITZ ANW [09027]€ 55,80
Intensieve ZorgANW >20min€ 124,00
Steunpessarium plaatsen (prolaps)€ 24,80
Verwijderen corpus alienum oog [09031]€ 24,80
Bedenk hierbij dat RIZ-gelden buiten het macrobudget huisartsenzorg van € 1,6 miljard vallen, er niet alleen voor de huisartsensector zijn en behoren tot het 5% budget van de curatieve zorg wat de ZV"s zelf vrij mogen inzetten. De curatieve sector krijgt in 2005 € 17,3 miljard. We zien dat in werkelijkheid de RIZ gelden maar zeer beperkt worde ingezet.
CVZ 199819992000200120022003
Maximum budget RIZ (€ miljoen)181,5184,9228,5257,1331,8598,8
Gerealiseerde uitgaven2,26,38,319,344,753,0

RIZ bestaat sinds 2002.

Uit deze getallen blijkt dat van de RIZ maar zeer beperkt gebruik is gemaakt. Dit heeft te maken met het eigen risico van de zorgverzekeraar indien een akkoord over een RIZ tarief met de zorgaanbieder is "afgesproken". CVZ en CTZ toetsen deze afspraken, waarbij de verzekeraar achteraf te horen krijgt of de gemaakte RIZ afspraak wel rechtmatig is. Dan zijn door de verzekeraar echter de verplichtingen al aangegaan. Daarnaast is de regel bedoeld voor substitutie. Echter zolang de verzekeraar met investeren in de eerste lijn procentueel een hoger risico loopt (namelijk 100%) dan met investeren in de tweede lijn, heeft de verzekeraar geen belang bij innovatie in bvb huisartsenzorg.

De uitspraak van de minister dat de noodzaak van de RIZ is weggevallen, is een premature conclusie. De werkelijke reden is de ingewikkelde regelgeving en het verschil in risicodragerschap. Het ware beter geweest die twee punten aan te pakken: dan was de drempel voor inzetten van de RIZ vanzelf lager geworden.

Uit het CVZ kostenrapport (zorgcijfers 1998-2003) blijken de grote variaties bij ziekenfondsen in uitgaven RIZ/flexizorg per verzekerde. Bij 21 ziekenfondsen is dit gemiddeld € 5,- per verzekerde. Vijf verzekeraars besteden meer, 16 minder. De verzekeraar met de hoogste flexiezorguitgaven besteedt bijna € 9,5 per verzekerde aan flexizorg.

Nemen we bvb het jaar 2003, dan betekent dat van het RIZ budget van € 598,8 miljoen slechts een kleine 9% wordt gebruikt voor coördinatie en organisatie van zorgvernieuwing en voor vervangende zorg.

Het "RIZ plafond" is ook in de huidig financiering (dus) nog lang niet bereikt. De minister heeft aangegeven in zijn brief aan de Tweede Kamer (CZ/EZ 2568247) dat "zorgvernieuwingactiviteiten straks in prestatie zelf worden geregeld en dat daarmee de noodzaak van de initiatiefruimte (RIZ) wegvalt".


Macrobudget huisartsenzorg (bron:VWS)
In 2005 is dit macro € 1615,3 miljoen (exclusief RIZ)(€ miljoen)
Ziekenfondswet1073,5
Particulier449,9
Eigen bijdrage particulier91,9
TOTAAL: 20051615,3

IV. Aanwijzing VWS aan CTG tot invoering nieuw financierings-structuur huisartsenzorg (8 april 2005)

In de voorgenomen aanwijzing van VWS tot invoering van een nieuw bekostigingssysteem voor huisartsen geeft de minister een overzicht van de financiële bouwstenen, waaruit dit systeem zal bestaan. De minister suggereert (persbericht 8 april 2005) dat er met de huisartsen over de invulling van de structuur een principeakkoord is gesloten. Dit is echter helemaal niet het geval. In tabel:
financiële bouwstenen bij aanwijzing VWS, 8 april 2005 voor een nieuwe financieringsstructuur in 2006
omschrijving(€)
BKZ blijft onveranderd1615 miljoen
gemengd tarief: deels verrichtingenmacro 467 miljoen, consulttarief € 7,-
gemengd tarief: deels abonnementmacro 725 miljoen, abonnement € 45,-
module locatiegebonden kostenmacro 25 miljoen
module POHmacro 29-49 miljoen
module variabele kostenmacro 138 miljoen
subtotaal nieuwe structuurmacro 1404 miljoen
restant: HADS/ onderwijs etc.macro 211 miljoen
totaal macrobudget huisartsenzorgmacro 1615 miljoen

In een andere bijdrage gaf St. de Vrije Huisarts i.s.m. de ELHA al een voorlopige conclusie. We zetten nog een keer de financiële systematiek die de minister hanteert op een rijtje. Hoogervorst wil een budgetneutrale oplossing. Hij haalt allereerst 20% van de kostenvergoeding uit het tarief en haalt alle module bijdragen uit de bestaande tarieven (FTO/nascholing/ICT). Het restant bedrag van kosten/inkomen wordt herverdeeld voor een gemengd tarief (tezamen: 467+725=€ 1192 miljoen). Er vindt verder een herallocatie plaats van de module gelden. De module met de variabele kosten wordt gebruikt voor vergoeding van extra kosten die huisartsen maken, voor kosten van innovatie, gaat gelden als alternatief voor RIZ-gelden en kan dienen als financiering van substitutie.

Wat is er nu mis met deze berekeningssystematiek van de minister in deze aanwijzing?


Dus:

Het als eerste stap weghalen van 20% uit de onkostenvergoeding betekent dat het onderhandelingsresultaat uit 2001 wordt weggepoetst. (Her)verdeling van dit deel van het budget heeft vervolgens het karakter van een financiering conform het model van de "sigaar-uit-eigen-doos". Voor het doel van betaling van de "extra" kosten was destijds de afspraak gemaakt tot uitwerking van een Lokale Kosten Component (maximaal € 90 miljoen). Ook ten aanzien van de modules vindt een macroneutrale herallocatie plaats.

Waarom de minister zonder akkoord met de huisartsen met een dergelijke aanwijzing komt, is ons dan ook een raadsel.

V. De nieuwe financieringsstructuur

Stichting de Vrije Huisarts is van mening dat de toekomstbestendigheid van huisartsenzorg het meest gediend is indien transparant aantoonbaar kan worden gemaakt wat de moderne huisarts nodig heeft aan randvoorwaarden. Anders gezegd: Wat wordt van de huisarts gevraagd? Wat levert de huisarts? Wat kost dat? Take it or leave it.


Dus:

Gerrit Zalm, minister van Financiën en politiek leider van de VVD, blokkeert als minister al drie kabinetten elke fundamentele investering in de huisartsenzorg. Is bekend geworden met zijn Zalmnorm. Deze norm houdt in dat vooraf per jaar wordt bepaald dat de zorgkosten voor de gehele kabinetsperiode van 4 jaar worden gemaximeerd. Daarmee is de zorg een zogenaamde budgetdisciplinesector. Het idee van deze norm is om collectieve uitgaven niet afhankelijk te maken van fluctuaties in de economie.Het totaal aan zorgkosten, het BKZ, valt onder deze collectieve lasten. Deze collectieve lasten vallen onder het Stabiliteitspact van de EMU.

Dit wil zeggen dat het financieringstekort van de overheid maximaal 3% van het BBP mag bedragen. Daarom is Zalm zo bevreesd voor stijging van de zorgkosten. Zalm pompt de zorgkosten echter onnodig op door ook kosten erbij te betrekken die niet onder het BKZ horen: huisvesting verzorgingshuizen, opleidingskosten en de 4 miljard eigen bijdrage aan de zorg van burgers. Triest is dan dat vervolgens het hoge BKZ bedrag dán weer wordt gebruikt om andere bezuinigingen voor dezelfde burgers door te voeren. Zalm weet als econoom als geen ander dat huisartsen niet vooruit kunnen zonder de mogelijkheid te investeren in hardware, huisvesting, personeel en organisatie. Hij is ook degene geweest die introductie van de aanbevelingen van Tabaksblat blokkeerde. Er was al genoeg geďnvesteerd in de 1e lijn. Het was bij "Paars" politiek beleid om extra gelden terug te geven aan de burgers als lastenverlichting. Nu heeft Zalm al jaren het argument dat er geen geld is. En wat moet de huidige

Minister van VWS ook met een marktpartij van huisartsen die een spilfunctie ambiëren, het SP manifest ondertekenen en de door hem gewenste marktwerking bruuskeren? Krap houden dus!

Om meer inzicht in een dergelijk kostenstructuur te krijgen, is bij ons niet het macrokader het vertrekpunt van de oplossing, maar bottum-up de kosten van de noodzakelijke randvoorwaarden. Minister Hoogervorst neemt wel het macrokader als uitgangspunt.

Wij werken in onderstaande allereerst een "100% normabonnement" uit. Als vertrekpunt kiezen wij voor een abonnement, omdat wij van mening zijn dat huisartsenzorg geďntegreerde zorg is op 3 niveau"s. Allereerst de integratie van medische, sociale en psychische oorzaken als verklaring voor gedrag bij ziekte.

Ten tweede de integratie van de 82 NHG standaarden, nodig om een zieke te onderzoeken,te behandelen en monitoren. Huisartsenzorg is specialistische zorg met generalisme als specialisme. Fragmentatie van basiszorg zal niet worden geaccepteerd.

Het derde onderdeel van de integratie is dat in (de uitwerking van) een ELZ de huisarts als een volledige partner mee wil doen. Meedoen betekent o.i. 100% op de hoogte is van de voorgeschiedenis en de actuele (medische) situatie van de patiënt. De zorg voor patiënten met chronische ziekten zoals diabetes, COPD en hartfalen maakt onderdeel uit van de zorg die door iedere huisarts wordt geleverd. De honorering van deze zorg dient dan ook een structurele financiering te zijn.

Dat betekent dat wij geen voorstanders zijn van modules. Met modules lopen wij bovendien het gevaar dat deze onderdelen straks door anderen worden gecontracteerd wat zal leiden tot zorgversnippering en desintegratie van ons vak.

Dus:

Essentieel is de vraag wat de productiekosten zijn van huisartsenzorg, zowel van het basisaanbod als het aanvullende en bijzonder aanbod. De marge bovenop deze kosten is afhankelijk van de gevraagde kwaliteit en de mate van innovatie. En dan is de winst afhankelijk van de omzet. Zo zou het moeten zijn. Als het zorgaanbod is beschreven dan wordt uitgerekend wat daarvan de prijs is.

Administratieve rompslomp en contracteerperikelen moeten verder tot een minimum worden teruggebracht. Dat betekent dat we zoveel als mogelijk onze zorg moeten onderbrengen in een abonnementstarief. Daarbij is van belang een systematiek te ontwikkelen waardoor er een goede indexering van het abonnement tarief kan plaatsvinden met herstel van de relatie tussen werkbelasting en macrobudget (zie boven).

De vrijheid van klanten om in 2006 te kiezen voor een restitutie- of naturastelsel lijkt garant te staan voor administratieve rompslomp, fouten en verwarring.


Abonnement per verzekerde in nieuwe financieringsstructuur 2006 (normpraktijk)
Abonnement "kale" dagzorg (kosten/inkomen) zoals in 2005 (VC)€ 77,18
Indexering abonnement/modules (CEPindex/OVAindex) 2005->2006p.m.
jaarlijkse "Nivelindex" huisartsenzorg :relatie werkbelasting-BKZ, dit betreft een positieve/lineaire indexering (itt de tariefformule)p.m.
EMD onderhoud bij IONp.m.
(van NONI naar) ION: jaarlijks inschrijvingstarief: "elke Nederlander een huisarts"p.m
Uitbreiding assistente: 1,0->1,5(D&T): extra € 15.603 (mits aangetoond)€ 6,64
POH module voor geďntegreerde basiszorg . VWS besteedt 38,6 miljoen aan POH, dit wordt door de ZV"s aangevuld tot 52 miljoen. met deze financiering heeft ruim 1/3 deel huisartsen een POH, voor uitbreiding van POH voor alle huisartsen is € 104 miljoen extra nodig, dit brengt de op macro € 156 miljoen, ofwel € 22.704 per normpraktijk€ 9,66
FTO module obv tarief 2005€ 0,20
Nascholing module€ 0,70
ICT module€ 3,40
Module achterstandswijken: € 7,- per verzekerde indien verzekerden wonen in geoormerkte achterstandsgebieden met kenmerkende postcodes zoals bij CTG bekend (5000-1000-05-1:beschikking)p.m.
15% v/d bevolking >65 jr: 353 verzekerden x € 13,80 (€ 4871,4 extra)€ 2,07
Hagromanager: 16,1miljoen/2350=6851 fte praktijken, bij 900 hagro"s is dit 6851/900=7,6 huisarts per hagro, macrokosten bij 0,5 fte per hagro € 26,- miljoen. Dit is € 3781,- per praktijk ofwel 3781/2350 p.p€ 1,61
LKC: CTG V/02/275 (alleen bij aangetoonde meerkosten), juli 2002: macro € 95 miljoen (als uitwerking overeenkomst LHV/ZN na stakingsdagen mei 2001), dit is 13.826,23 per normpraktijk of 5,88 per verzekerde (exclusief indexering)p.m.
BMHK: oproep: vrouwen 30-60jr,1xper 5jr:7jaarcohorten x 20, is 140 vrouwen per jr; 90% matching:=130 x oproeptarief € 4,10 = € 533,-€ 0,23
BMHKscreening: uitstrijk: opkomst 60%: 46vrouwen: € 503€ 0,21
Grieppreventie: 23% heeft indicatie (15% als 65+): 541x8,82€ 2,03
Mutaties verzekerden:Nivel:"8,6% in 5jr"=40 verzekerden/jr: EMDp.m.
COPD: prevalentie 3%, per normpraktijk zijn dit 70 verzekerdenp.m.
DM 85%typeII/15%typeI. 3,3%v/d mannen DM en 3,8% v/d vrouwen. Dit betekent in normpraktijk 39mannen/45vrouwen (84) met DM. Bij 65+ is de prevalentie 16% bij man/12% bij vrouw. Bij allochtonen prevalentie hoger. Incidentie 3,6/1000 ofwel 8,5 per norm (per jr) erbijp.m.
Hartfalen: incidentie per normpraktijk 16; prevalentie per normpraktijk 26, bij 65-74 jr: prevalentie 3%, bij 75-84jr 7% en bij > 85 jr >10%p.m.
Herijking daginkomen (CTG: 15 juli 2002): 72 miljoen macro, ofwel € 10.509,41 per normpraktijk ofwel € 4,47 per verzekerde (exclusief indexering), in de actieeis is opgenomen "procedurele afspraken over het verdere inkomensherijkingstraject, inclusief de ANW zorg" t.a.v. ANW is macrobedrag € 27 miljoen ofwel 3941,- per normpraktijk of € 1,68 per verzekerde. Indien AOV compensatie doorgaan wordt het dagbedrag verlaagd van 4,47 naar € 3,29 (4,47-1,18) per verzekerdep.m.
Als aparte eis opgenomen: AOV compensatie als onderdeel van de inkomensherijking, dit was wel harde eis: € 19 miljoen (CTG: 15 april 2002), ofwel 2773,31 per normpraktijk ofwel 1,18 per verzekerde€ 1,18
Regeling verbruiksartikelen kan worden opgeheven indien andere regelingen operationeel zijn€ 0,00
Werk in het kader van de RIZ. De kosten hiervan kunnen vallen buiten het macrokader van 1,6 miljard. Deels kunnen kosten van bvb Doppler, audiometer, tympanometer, spirometer, ECG etc ook tot de reguliere extra praktijkkosten gerekend worden en bvb dan vallend onder de LKC, mits dit LKC niet gebudgetteerd is. De RIZ inkomsten ("loon naar werken") vallen buiten het macrokader en zijn punt van onderhandelingp.m.
Ondernemersrisico: bij insufficiënte afspraken m.b.t de financieringsstructuur bestaat er een hoog risico; wordt e.e.a. "normaal" geregeld dan is er ook een "normaal" risico; in huidige (2005) onkostenvergoeding is de vergoeding door het CTG gezet op "0,00"p.m.
Totaal: "100% normabonnement" exclusief 13 x p.m.€ 105,11
Totaal bruto omzet per normpraktijk excl. "13 pm-posten"€ 247.008,00

Vanuit de kosten van het totale normabonnement zijn variaties met deels abonnement, deels verrichtingen denkbaar en haalbaar. Het is aan de betreffende partijen daar op een verstandige manier uit te komen.

Macroplaatje BKZ huisartsenzorg (gezien de "pm-posten" onvolledig):
2006: macrobudget: 247008(normomzet) x 6851 fte praktijk exclusief budget 13 "pm" posten. (en exclusief kosten van samenwerkingsverbanden, HOEDEN, accrediteringstrajecten en afstemming zorgconcepten)€ 1.692.251.808
2005: macrobudget (1615 miljoen exclusief (beperkte) RIZ-gelden€ 1.615.000.000
investering BKZ [exclusief 13 "pm" posten + toekomst]ruim € 78.000.000

Dus:

Welk systeem van honorering ook wordt gekozen/besloten, de normhuisarts hoort in een nieuwe financieringsstructuur een normomzet te krijgen van € 247.008,- per jaar. Exclusief de uitwerking van de 13 "PM" posten. Dit betekent voor het bedrag van het normabonnement een macro-investering van ruim € 78 miljoen.

Voor deze (247.008 exclusief 13 "pm" posten) omzet stelt de huisarts zich garant voor het afgesproken zorgaanbod. De financiering van samenwerkingsverbanden, HOEDEN, accrediteringstrajecten en afstemming van zorgconcepten in het kader van de geďntegreerde ELZ blijven hierbij buiten beschouwing. Zij kunnen wel onderdeel zijn/worden van de onderhandelingen.

Duidelijk is dat de huisarts transparant aangeeft wat de praktijkkenmerken zijn hoe hij/zij de financiering heeft verantwoord. Dit kan betekenen dat extra financiering nodig is indien kosten aangetoond budgetoverschrijdend zijn en in redelijkheid zijn gemaakt. Dat wordt dan inzet van de onderhandelingen bij de contractbesprekingen. Ook zal de huisarts moeten verantwoorden dat indien hij honorarium krijgt voor extra assistentie/POH en/of hagromanager, deze ook daadwerkelijk aantoonbaar in dienst zijn etc. Verder verplicht het de huisarts tot inzage in uitkomstindicatoren (output) als gevolg van het gevoerde kwaliteitsbeleid.

VI. Knellend Budgettair kader

Transparantie kan worden geleverd, mits deze wordt geleverd door alle partijen op de zorgmarkt.






Bent u al donateur van De Vrije Huisarts? Meteen DOEN.